is toegevoegd aan uw favorieten.

Uitgetreden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodanig recht niet verleenen aan onergerlijke onbegenadigden, en zij mogen het óók niet verleenen aan onergerlijke begenadigden. Recht op het Avondmaal te geven — heeft Chr., het verheerlijkt Hoofd der Kerk, niet aan feilbare menschen toevertrouwd; Hij heeft het Zichzelven voorbehouden; Hij alleen verleent het, door de bediening des Woords en des Geestes, in de harten Zijner gunstgenooten.

Maar de Opzieners — nietige, feilbare schepseltjes, die maar aanzien wat voor oogen is — zij hebben, verre van zulk eene aanmatiging, zich de vraag te stellen, niet: wie zullen wij recht geven tot den Disch des Verbonds? maar: welken personen hebben wij toegang te verleenen tot, en welke andere af te houden van het Nachtmaal des Heeren?

En dan leert onze Catechismus, dat zij niet mogen laten komen tot dit Avondmaal, degenen die met hun belijdenis en hun leven zich als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen, of, gelijk het Kort Begrip het uitdrukt: zulken, die ongoddelijke leer drijven of een ergerlijk leven leiden.

Zulken niet toelaten — opdat niet het Verbond Gods ' worde ontheiligd en Zijn toorn over de gansche gemeente aangestoken worde.

Zulken afweren van den H. Disch — waaruit dus bij wettige sluitreden volgt: dat zij toelaten zullen, wie geen kettersche leering drijven en niet door een ergerlijk leven als goddelooze menschen zich naar buiten openbaren.

Op die lijn beweegt zich de, bij ons volk nog altijd hooggeschatte, vader Brakel, wanneer hij in zijn „Redelijke Godsdienst" deel I, cap. XL, 36 zegt: de kennis