is toegevoegd aan uw favorieten.

"Beproeft alle dingen; behoudt het goede"!

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodat gij, althans op dit ééne punt niet langer min of meer het slachtoffer behoeft te worden, en anderen — door üw schuld of nalatigheid — het slachtoffer behoeft te dóén worden van omvetendheid, verblinding, vooroordeel.

Gij kunt er aan te danken hebben, dat gij voortaan vervuld wordt van een vurigen ijver, een heiligen geestdrift om mee een bres te gaan schieten in het, helaas! o zoo stevige bolwerk van liederlijkheid en gemeenheid; mee u aan te gorden tot den grooten verdelgingsoorlog, welke — thans eerst recht! — moet worden gevoerd tegen prostitutie, nieuw-malthusianisme, onanie, alcoholisme, pornografie, enz.

Kortom: gij kunt er aan te danken hebben, dat uw leven voortaan niet alleen reiner, maar ook rijker wordt; rijker aan kennis en aan kracht; rijker aan moed en aan vrijheid; rijker vooral aan schoone en heerlijke idealen.

En . •.. dat véle — voorzoover 't u nog ontbrak — meer en meer te danken hebbend aan de Rein-Leven-beweging, zult gij, naar den eisch van het evangelie, ook in déze, iets gaan „doen boven anderen"', zult gij, ook in déze, alles gaan doen, wat in 't bijzonder üw hand vindt óm te doen; zult gij, — na begonnen te zijn met uzelven —, gaarne het uwe er toe bijdragen om ook de duizenden en tien-duizenden rondom u — knapen en meisjes, jongelingen en jongedochters, mannen en vrouwen — op te heffen uit den poel der zinnelijkheid;*) zult gij, „innerlijk met ontferming over hen bewogen zijnde", van ganscher harte uw willen en uw kunnen beschikbaar stellen om te redden die nog te redden zijn, te schragen die dreigen te vallen, raad en hulp te verleenen aan die raad en hulp vragen; in één woord: zult gij, zélf gezegend met een Reiner Leven, op uw beurt anderen hierin tot zegen wórden.

Wat dunkt u? zou er gróóter voorrecht bestaan dan juist dit?

In het grootsch gedicht van Robert Hamerling, getiteld: „Der König von Sion", en handelend over de Wederdoopers te Munster, vond ik déze — thans misschien meer dan ooit toepasselijke — woorden:

„Gross ist die Zeit und gewaltig; doch welie, wenn unsere Herzen „ nicht rein sind; wie sollen int riesigen Kampf wir bestehen F'

Ja! M.H. wéé óns, wéé óns, wanneer, in den reusachtigen kamp tusschen het rijk des lichts en het rijk der duisternis, — zooals die, vooral in onzen tijd van groote en geweldige tegenstellingen, alom wordt gevoerd—, wéé óns, wanneer in die ontzaglijke worsteling onze harten niet rein zijn!

Immers: uit het hart zijn de uitgangen des levens, en datgene, waardoor wij — bewust of onbewust — ons scharen aan de zijde van het licht of

van de duisternis, van het goede of het kwade dat zijn niet slechts

de afzonderlijke wóórden of de op zichzelf staande daden. Neen ! Dat is.

*) Diep trof mij het woord bij Thomas Carlyle, aldus luidend: „Het is nu de nacht „der wereld, en het duurt nog lang, eer het dag wordt; wij zwerven rond bij het schemerlicht van rookende puinhoopen, en het is alsof de zon en de sterren des hemels voor „een tijd verdwenen zijn, en twee onmetelijke schijnbeelden, huichelarij en atheïsme, „wandelen met het monster zinnelijkheid over de aarde rond en noemen deze hun eigendom". — Zoo is het nóg!