is toegevoegd aan uw favorieten.

Den weg, welke de Heere gehouden heeft met den persoon van Marinus Ruben, in leven leraar en bedienaar des Goddelijken Woords in de verstrooide gemeenten Jezu Christi, in de Provinciën Zeeland, Zuid-Holland en Gelderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bezwaren kwamen echter hand over hand in mij op om gelukkig en zalig te worden; het scheen mij ten eenemaal onmogelijk. Ik had te dien tijd meer geloof en hoop voor andere menschen als voor mijzelven ; als de dominè maar sprak over een zondaar, daar kon ik mij zeiven 't best in betrekken.

Op eenen Zondag, nadat de godsdienst geëindigd was, zeide ik tot moeder: ik heb wel eens zin om naar Marinus Jongejan te gaan, maar hoe dikwijls ik de deur open en dicht deed....

Eerst scheen het of de straat met menschen mij achterna zoude zien; had ik maar onder den grond door kunnen gaan, ik had dat wel gedaan ; echter, ik kreeg vrijmoedigheid om naar gemelde persoon toe te gaan. Eer ik er nog was, scheen het mij toe, dat ze met mij toch niet te doen zouden willen hebben.

Ik kwam er dan, zoo als ik er kwam.

Ik deed haast niet als schreien, daar ik grondig voelde en ook zeide, dat ik er een was, die zijn leven bij de wereld niet meer kon vinden, maar die even was als Rutli in betrekkina'

' o

tot hare schoonmoeder Naomi, hoe ze dacht dat er te Bethlehem brood was; ik geloofde ook dat M. Jongejan er een van was, van die bevoorrechten, die reeds al geborgen waren voor de eeuwigheid. De gebreken, die de menschen natuurlijk ook wel hadden, daar had ik niet veel last van. Ik dacht, dat het menschen waren zonder zonden ; het kwam er voor mij maar op aan voor de eeuwigheid.

Ik was geheel verwonderd, dat zulk een persoon als ik was, geworden door de zonden, zoo beleefd en vriendelijk ontvangen werd. Mij docht, dat zulk een voorwerp voor God en menschen afgewezen zou worden, dat zou ik geheel hebben kunnen billijken, om reden : ik had het zoo diep verbeurd voor het aangezicht Gods. Marinus ging minzaam over de belangen van de eeuwigheid spreken, dat mij zoo meêviel.

Het scheen voor mij, als ik voor het eerst naar Gods volk ging, of ik naar een gerichtsplaats ging.

Dat was nu de eerste Zondag, dat ik dat volkje mocht opzoeken. Ten opzichte van mijn toestand voor de eeuwigheid had ik het echter zeer moeielijk.

Voorts wende ik alles aan, wat ik immer kon : kerkgaan,