is toegevoegd aan uw favorieten.

Den weg, welke de Heere gehouden heeft met den persoon van Marinus Ruben, in leven leraar en bedienaar des Goddelijken Woords in de verstrooide gemeenten Jezu Christi, in de Provinciën Zeeland, Zuid-Holland en Gelderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bidden, lezen enz. Vraagt gij mij wat drukt u zoo : In de eerste plaats mijne zonden, dan ten tweede mijne diepe onkunde en onwetendheid en dan het kleine getal één uit een stad en twee uit een geslacht.

Soms scheen het dat ik moed schepte, terwijl er zulke goddeloo/.en nog genade gekregen hadden, waarvan ik er zelfs wel kende, maar daarentegen was het weer dat ik zonden bedreven had, die een ander naar mijn gevoelen niet begaan had, dan was alles weer afgesneden om ooit zalig te kunnen worden.

Er kwam weder een Zondag aan, den tweeden.

Nadat de godsdienst geëindigd was, ging ik naar Jan Jonkman, die was zoowat een jaar van God bekeerd; de bezwaren waren groot en veel.

Ik had wel veel achting voor dat volkje, om er bij te komen, dat waren de groote bezwaren.

Het was even of mij daar, ik weet niet wat, zoude overkomen, maar ach ! dat viel mij toch zoo mêe.

Als ik er kwam, kon ik niet anders dan mijn ongeluk maar beschreiën. Hij behandelde my oprecht en toonde mij door eigenbevinding wanneer de ziel eerst tot ware ruste kwam.

Hij heeft mij altijd oprecht behandeld en was mij in 's Heeren hand een middel, dat mijne ziel zich op geen grond konde verlaten buiten Christus Jezus.

Bij oogenblikken gaf mij de Heere genade, om met al mijne zonden tot Hem te komen en voor Hem mijn harte uit , te storten. Dan dacht ik weer: De Heere zoude mij toch ook nog wel genade kunnen schenken, daar ik nog leefde en mij nog mocht bewegen en in het heden der genade verkeerde.

Ik las toen ter tijd nog al eens die voorrede vóór de lofzangen Israëls van Groenewegen.

Ach, wat zag ik daar een voorrecht in voor dat volk, wat spoorde mij dat menigmaal aan, om den Heere toch te zoeken, om zijnszelfs wil, terwijl ik toch niet anders kon.

Ik las te dier tijd wel eens het lijden van Jezus, daar was ik dan zoo wonderlijk onder gesteld, daar Hij zoo onschuldig geleden had. Mij dacht, het kwam mij billijker toe alle jammeren te ondergaan, dan Jezus zelf. Ik kende nog niet de noodzakelijkheid daarvan, zooals Jezus tot de Emmaüsgangers zeide.