is toegevoegd aan uw favorieten.

Den weg, welke de Heere gehouden heeft met den persoon van Marinus Ruben, in leven leraar en bedienaar des Goddelijken Woords in de verstrooide gemeenten Jezu Christi, in de Provinciën Zeeland, Zuid-Holland en Gelderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden, in geloove dat ik gerechtigd was om Christus wil het te gebruiken en daar ik mocht aanzitten in die betrekking, dat God mijn God was, uit genade, dan heb ik wel ondervonden, die ziels zalige gemeenschap met den Heere, alsmede met zijn volk.

Dit getuigenis in mijn harte door Gods geest, daar Gods geest getuigde met mijnen geest, dat ik een kind Gods was en dan die zalige betrekking die ik had op den Heere Jezus als mijn borg en zaligmaker.

Wat was mij dat groot! Wat verbondt mij dat zoetelijk, om al hetgeen, wat ik was, voor den Heere te zijn. Ook mocht ik wel in de gemeenschap deelen, met die reeds in de eeuwige heerlijkheid zijn.

Als ik bedaard 's Heeren wegen mag nagaan, dan moet ik zeggen, evenals de kerke zegt: „De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd, omdat de Heere ons verblijd heeft met Zijne daden. Heb ik des Heeren zegen wel eens mogen genieten aan 't Avondmaal, daartegenover heb ik het wel eens gedaan met onvrede in mijn harte, dat was mijn schuld. Als er een ban in 't leger is, leest men, dat de Heere niet meê optrekt en dat was bij mij het geval, anders heeft de Heere mij zonderling zijne gunste believen mede te deelen.

Nu wil ik overgaan, om mede te deelen, hoedat die weldaden, die de Heere mij uit genade geschonken had, stonden om beproeft te worden, want de Heere toch heeft zijne genade niet te vergeefs geschonken. Nadat de Heere mij die weldaad bewezen had, dat ik geborgen was voor de eeuwigheid, zoo moest ik het volgend jaar loten voor de militie. Ik sprak in dien tijd daar al eens over met het volk des Heeren, waaronder er één was die mij aanraadde om een vrijlot van God af te bidden, maar ach 1 mijne vrienden, als wij in eene goede verhouding met God staan, is het de ziel te doen om met Gods wil vereenigd te zijn, dat is toch den weg naar den hemel en ziet, ik mocht van het groote volmaakte W ezen afbidden, naar zijn eigen voorschrift: „Uwe wille geschiede, gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde.' Zoo gaf ik het geheele beleid daarvan, ook in dezen weg, aan God over.

Onderwijl naderde den tijd dat ik moest loten en ik trok