is toegevoegd aan uw favorieten.

Den weg, welke de Heere gehouden heeft met den persoon van Marinus Ruben, in leven leraar en bedienaar des Goddelijken Woords in de verstrooide gemeenten Jezu Christi, in de Provinciën Zeeland, Zuid-Holland en Gelderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

David zingt, Ps. 136 — wel 26 keeren:

„Want zijne goedertierenheid Geduurt tot in der eeuwigheid."

Door genade van den Heere kan ik dit bij oogenblikken ook zeggen.

Als de Heere mij voorspoedige dagen gaf, had ik soms een ongestelde ziele, indrukkeloos, de hemel verkwikkelijk, de helle, niet verschrikkelijk. Ja, soms vervult met een kracht van verdorvenheid, heftig opbruischende, dat ik dacht: Ik behoor nog onder de heerschappij der zonde.

Ik herinner mij nog, hoewel dat meer gebeurd is en nog wel gebeurd, dat ik op een Zondagmorgen van mijn leger opstond en ach! ik was geheel als iemand die, zonder de minste indruk van Gods heilige dag, zich geheel in de wereld bezig houdt met werken enz., kortom, ik was een wereldsch mensch en niet in staat om over God en Zijnen dienst te denken, kon niet anders dan mijne ongesteldheden te betreuren ; zoo zette ik mij op een stoel neder. Daar zoo zittende zou ik toch een gedeelte in Gods Woord lezen en hetgeen ik las was Ps. 65, daar David zegt: „Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij."

Ik moest zeggen: evenzoo is het thans met mij. Mijn ellendig bestaan begon mij eenigszins te wegen voor het Ilooge Wezen. Vervolgens las ik Rom. 7 tot die plaats daar de Apostel zegt: „Hetgeen ik wil, doe ik niet, maar hetgeen ik niet wil, dat doe ik. „Ach, wat mocht ik dat klaarlijk bevinden, dat ik een deel in mij had dat naar den hemel wilde en een deel dat naar de helle wilde, dat verdorven deel ligt slechts zoolang gebonden als de Heere in het harte is en dan komt de zonde weer. Ledeboer zegt met recht:

«Het is een wonder,

Nu boven dan onder:

Nu hebben, dan niet."

Ziet zoo raakte ik met mijn toestand weer onder God en éér het kerktijd werd, was mijne ziel uit de strikken en Zijne nabijheid en gunstige tegenwoordigheid schonk de Heere in mijn harte, wonderlijk werd ik gezegend op dien dag des Heeren; inzonderheid op den avond. Ik las een preek in Smytegeld over die woorden: „Ik God ben uw God."