is toegevoegd aan uw favorieten.

De merkwaardige lotgevallen van het leven en sterven van den weleerwaarden en nu zaligen Heer Petrus van der Velden, Leeraar in de Hervormde gemeente te Lekkerland, Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar zijn huis wilde gaan, hij aangesproken werd door sommigen uit den Kerkeraad, welke hem vraagden: "Wel, Dominee, wat preekt gij voor een leer, het schijnt ons toe, alsof gij op zijn Paapsch predikt." Hij antwoordde met veel bedaardheid: "Lieve vrienden, zeg mij eens, wat heb ik dan toch op zijn Paapsch gepredikt?" Waarop zij antwoordden: "Wel, gij spreekt gedurig van Jezus Christus, en daar hebben de Papen ook altijd den mond vol van; en daarenboven dat gij ons zoudt willen leeren om op onze knieën te bidden, kijk, dat is juist zooals de Papen doen." Hierop antwoordde de Domine: "Lieve vrienden, dat heb ik u ook gezegd, en zal ulieden in het vervolg op dienzelfden voet van het Evangelie trachten te verkondigen, zooals ik er rekenschap van zal moeten doen aan mijnen Grooten Zender (in dien grooten dag des oordeels) Die mij tot ulieden gezonden heeft."

Hij was hierover zeer aangedaan en met groote ontferming omtrent die arme menschen vervuld, en zocht hun van tijd tot tijd van hunne dwalingen te overtuigen, doch zij vatten van dien tijd af aan eene doodelijke haat tegen hem op en het berouwde hun dat zij hem beroepen hadden. Waren zij beter met hem bekend geweest, zij zouden er zich wel voor gewacht hebben.

Van der Velden verdroeg dit leed zeer geduldig en kreeg van den Heere veel vrijmoedigheid en genade om getrouw te blijven in zijn werk, hoe het ook met hem gaan mocht. Doch de haat en nijd werd hoe langer hoe heviger tegen hem, zoo dat het voor hem zeer gevaarlijk werd, doch de Heere bewaarde hem op eene zeer wonderlijke wijze.

Toen de tijd naderde van zijn eerste Avondmaalsbediening kon hij geen ouderling krijgen, die met hem huisbezoek wilde doen, zoodat de Domine genoodzaakt was om alleen te gaan. Inmiddels hadden eenige boeren en boerinnen zich verbonden (waaronder een vrouwspersoon* die uitmuntte in boosheid) om hem in een zeker huis, staande aan den dijk, op te wachten, en hem het leven te benemen. Zij hadden zich tot dien einde van vorken, pieken en andere instrumenten voorzien. Op dien dag, als de Domine aan dien kant van het dorp kwam, om zijn huisbezoek te doen, en zich van geen kwaad bewust zijnde, in dat huis kwam, ontmoette hij daar dat saamgezworen gezelschap. Met eene ongemeene vriendelijkheid reikte hij hen de hand en vroeg hen naar hunnen welstand (waardoor God hen wederhield om aan hem niet het minste kwaad te doen) deed hun kortelijk, doch getrouw zijns Heeren boodschap en ging ongemoeid naar huis. De Domine, nauwelijks weg zijnde, kregen zij hooge woor-