is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wondere van Gods vrije genade door Jezus Christus, vertoond in een stervend christen, of het heilig leven en de zalige dood van juffrouw Cornelia Constantina Winkelman, met veel blijdschap in den Heere ontslapen te Middelburg in Zeeland, op den 22sten Januari 1816, in den ouderdom van 24 jaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zal naar hem toegaan, al is 't met veel gebreken, Ach, Jezus lief! hebt gij uw oog op mij geslagen? Op mij, die mij zelfs nu nimmermeer kan behagen, Wel, Jezus! wat mag 'tzijn, dat ik worde aangeschreven, Om op die rol te staan met die, die zullen leven,

Daar ik als radeloos versmacht in mijne ellend,

Hebt eij uit vrije gunst uw oog naar mij gewend ; Van alle eeuwigheid, eer dat ik was geboren,

Hebt gij op mij gezien, en hebt mij uitverkoren,

Ik ben in zond' en schuld als anderen voortgebracht,

Maar als het was uw tijd, hebt gij aan mij gedacht; In 't zeventiende jaar kwaamt gij mij overtuigen, Van miin' ellendestaat, dat kan ik nu getuigen De plaats, daar ik toen was. staat mij nog levend voor, 't Was in uw Huis eu Kork, en onder het gehoor; De woorden zijn geweest: „Zoo gij niet wordt geboren Uit water en uit geest, zoo moet gij gaan verloren, In 't Koningrijke Gods kunt gij niet binnen gaan,

Tenzij gij dezen weg hier nog in wilde slaan,"

Is dat het niet geweest, waardoor gij mij kwaamt trekken. En daar ik lag als dood, om mij door op te wekken?

Hebt gij toen niet het eerst mij aan mijzelve ontdekt, En hebt gij tot uw' dienst mijn har) niet opgewekt?

Maar als gij mij deed zien mijn zouden en ellenden, Zoo was ik radeloos, en wist mij niet te wenden ;

Ik vond mij gansch ontbloot, met zonde en schuld bel&an, Waardoor ik wierd belet om naar u toe te gaan.

Toen ik mij zoo bevond, dorst ik tot u niet komen, Uit vreeze dat ik niet zou worden aangenomen,

Tot op dien tijd, dat ik, door uwen knecht verstond, Dat gij ook mij aanbood de goed'ren van 't verbond :

Toen heb ik mij vol schuld ook aan U opgedragen,

Hoewel ik niets en had, hetgeen u kon behagen,

Ik lag mij arm ontbloot voor uwe voeten neêr,

En koos u, Jezus lief! tot Koning en tot Heer,

t Was of gij tot mij zeid', „Komt maar tot mij geloopen, Al hebt gij niet met al, hier is om niet te koopen,

Al wat u dan ontbreekt, dat kome ik u aanbiên,

Ik heb een medicijn voor al die tot mij vliên ;

Ik blijf ook die getrouw, die zich maar tot mij wenden, Mijn algenoegzaamheid heeft geen begin of enden.'»

Waarop zij den Heere Jezus als weder aniwoordde :

lk kome u als een groot ellendig zondaar voor,

ik kom tot uwen troon, ai neig tot mij uw oor.

I. aai op heeft ze dit volgende in andere verzen gezegd : 'k Ben nog onwetend Heere!

Maar wil U tot mij keeren,

En wil mij onderwijzen,

Opdat ik U mag prijzen,

O ja, mijne ziele! dat is goed,

Dat men Jezus cere doet;

0 daar komen nog al meer.