is toegevoegd aan uw favorieten.

De heilzame raad tot onderhoud van het leven, of De voedende Jozef, als de behouder des levens van een groot volk; naar aanleiding van Gen. XLI: 55b

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ioo vele opeengestapelde beloften en tor weggingen, zoodat zij anderen moesten toeroepen: hoort toe, gij allen , die God vreest, en ik zal vertellen wat God aan mijne ziel gedaan heeft! Zij meenen al meer tot ruimte gekomen te zijn, doch gaan met die genietingen en beloften al meer van den Heere af. Waarlijk, de arme zielen zien het niet, dat zij van die genietingen en beloften hunnen Christus, dat is, den grond maken, waarop zij bouwen. Nu meenen ze in zulk eenen donkeren toestand nooit meer te kunnen geraken, want zij weten nu toch wat er gebeurd is, en dat kan bun geen mensch betwisten ! Zij kunnen zich niet verbeelden, ooit weder in zulk eenen radeloozen toestand te zullen geraken, want zij zeggen op zulk een' tijd: Gij hebt mijne regterhand gevat, en zult mij leiden door Uwen raad , en daarna opnemen in eeuwige heerlijkheid! Doch, helaas! zij moeten nog eenen storm doorslaan. De zon gaat weder onder en het wordt nacht. Het wild gedierte komt uit zijne holen , om roof. De bestrijder trekt tegen hen op. Hun gansche leeftogt raakt op. Zij beginnen alles weder te verliezen, en kunnen zich nergens meer aan vasthouden, en meenen, dal zij van alles los zijn. Doch nu ontvalt hun alles. Zij kunnen niet bidden , niet schreijen. Zij hebben geen' lust lot onderzoek, geene liefde tot de vromen; hun hart is ongevoelig en verstokt. Ja, zij gevoelen ook geene beesten, dat is, die verdorvenheden in hun hart niet meer; anders hadden zij daar nog werk mede, om voor God te klagen, maar nu schijnt alles bij hen dood te zijn. Welk een droevige toestand! Zij meenen, dat zij nooit zoo geweest zijn. Hierbij komt nog, dat al hunne vorige bevindingen hen dan benaauwen, want als zij aan God denken, maken zij misbaar, en worden overstelpt, Ps. LXXVII. Dan zien zij den tijd en den dood met rassche schreden naderen. Het is rondom hen donker. In zulk eenen toestand niet tot God te kunnen roepen! O, dan roepen zij uit: 'k wou vlugten, maar kon nergens heen, zoodat mijn dood voorhanden scheen, en?.