is toegevoegd aan uw favorieten.

Den van God uitverkorenen zondaar begrepen tot zijn' eeuwige behoudenis, aangetoond uit Jez. XLI: 8,9,

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterven in zijne handen, hij laat alles van zich gaan en blijft alleen over en terwijl de zon is gedaald, de duisternis de aarde bedekt, zoo meendt Jakob zijn toevlugt tot God te nemen, doch ook de Heere schijnt zelve met hem te strijden; o, wat wordt het hem nu bange, hij moet met God worstelen, door weenen en bidden. De Heere laat zich verbidden, de nacht wijkt, de duisternis verdwijnt, de zon rijst uit de kimmen, en Jakob, na zulk eene strijd, krijgt overwinning en wordt van God gezegend en kiijgt een nieuwe naam IsraöI, d. i. vorst of overwinnaar, omdat hij zich vorstelijk met God had gedragen, en tot een teeken daarvan wordt hem de heup verwrongen, zoodat hij nu hinkende moet heen gaan. Ziedaar zaagt gij Jakob uitgaan en Israöl te huis bij zijn vader komen, en nu, zien wij nu niet al het zelfde vervuld aan Gods kerk, hetzij in welk een tijdvak gij het nemen wilt; was het niet met de kerk alzoo in Egypte, wat hadden zij niette doen, te strijden, te worstelen, wat hebben zij geene doodangsten en benaauwdhedens uitgestaan, wat hebben zij niet moeten zwerven door die woestijn eer dat zij tot ruste kwamen. Bezien wij de kerk ten tijde der verovering van Salmanezar, Pigltatezar en Nebukadnezar , dan zullen wij gedurig het zelfde weer vinden. Ook was het niet beter ten tijde van Christus komst op aarde of kort daar voor en dat ook dikwijls hun weg geweest, na de opvaring van Jezus ten hemel. En bij elke reformatie is dat gezien: hetzij van Joden, van Heidenen, hetzij van Arianen, Mahomedanen, Roomschen, Remonstranten enz., hoe dikwijls zat dan de kerke als tusschen twee rijen van steenen. O! wat al