is toegevoegd aan uw favorieten.

Afscheidspredikatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verdriet, zeker heeft het mij tot groote verwondering moeten strekken, dat gij Gel. Gem. een Leeraar met zoo veel gebrek en ellende, die ten allen tijde moest getuigen, Heere ik heb geen menschen verstand, en de wetenschap der heiligen heb ik niet gekend, en toch hebt gij hem, in al die onkunde en zwakheden, in liefde, ruim 23 jaar met zijn gezin gedragen, ja ik mag wel zeggen, als op de vleugelen des gebeds, waar ik dan ook u, naast den Heere, nooit genoeg dank voor kan toebrengen, en daarom was mijn strijd en verdriet meer inwendig; ten allen tijde werd ik van binnen aangevallen, of ik wel waarlijk een wettig Leeraar was, en dan werd het mij bij tijden en oogenblikken zeer bang, vooral ook met de bediening van het H. Avondmaal, als ik dan gewezen werd op die Godzalige Leeraars als: Brakel, Comrie, Smytegeld, van der Kemp, van der Groe, en Ledeboer enz. allen mannen van studie en Genade, die lichten zijn geweest in hun leven, en die nog spreken door hunne geschriften, nadat zij gestorven zijn, mij dan, daarbij vergelijkende, dan kromp ik ineen, een man zonder studie, zonder wetenschap der heiligen, en dan toch Leeraar te zijn, neen, dat kan niet, gij hebt u zeiven maar opgeworpen, en van menschen maar dominé laten maken, en zoodoende ging het dan wel zoo erg in dien strijd en worstelingen der ziel, dat ik dacht: kom laat ik er maar mede eindigen, om langer zoo dominé te spelen, Iaat ik maar voor alles bedanken, en dan weer met wat negotie beginnen, en dan ja wel als een oefenaar, hier en daar in de Gemeenten een stichtelijk woord spreken, en toch was het, alsof dat ook niet meer kon, en dan zuchtende tot den Heere: om Hem te vragen, wat moet ik toch doen, Heere, en dan mocht het mij wel weer eens gebeuren, dat de Heere mijn benauwde ziel lieflijk kwam te troosten altijd weer met deze woorden: Als Ik wil dat hij blijve, tot dat Ik kom, wat gaat het u aan? volg gij Mij: Joh. 21 vers 22, en zoo was het dan, alsof ook de Heere tot mij sprak: als Ik dat nu wil, dat gij als zulk een blinde, onkundige en dwaze zondaar, mijn woord zal prediken, wat gaat het u aan? het heeft toch Mij behaagd, om door de