is toegevoegd aan uw favorieten.

Korte handleiding bij het onderwijs in de Kerkgeschiedenis tot aan de Hervorming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Het Christendom bij de Germanen.

Van omstreeks het jaar 500 af kwam het Christendom tot de Germaansche volken, die toen het tegenwoordig Frankrijk, België, Nederland, Engeland, Duitschland en de Skandinavische landen bewoonden.

Deze volken waren toen nog zoogenaamde heidenen, d. w. z., ze vereerden de in de natuur verborgen krachten. Over hun godsdienst is weinig bekend. Ze schijnen een sterk besef gehad te hebben van een geheimzinnige, hoogere wereld en zagen met schuwen eerbied tot de openbaringen uit die wereld op. Er werd onder hen veel gedaan aan wichelarij, tooverij, bezweringen en dergelijke practijken, die eigenlijk niet godsdienstig genoemd moeten worden omdat ze uit de menschelijke zelfzucht voortkomen en de mensch door deze dingen zijn eigen wil hoopt door te zetten, zijn eigen wenschen bevredigd te zien. Op heilige plaatsen, midden in de bosschen, werden offers gebracht en werden de goden geraadpleegd (orakels). Aan die heilige plaatsen was de godenvereering gebonden. Door de groote volksverhuizing waren de meeste Germaansche volken (uitgezonderd de Saksers en de Friezen) van hun woonplaatsen verdreven en daardoor ook van hun voorvaderlijke godsdienst eenigszins los geworden.

Wanneer we den tijd, waarin het Christendom tot de Germanen "kwam, vergelijken met den tijd van Paulus en kort daarna, dan vinden we eigenaardige tegenstellingen.

In Paulus' dagen werd het Evangelie, vrijwel nog in den oorspronkelijken vorm, door enkele menschen zonder macht, geld of gezag, gebracht tot beschaafde