Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Het hart vult het pericardium in de diastole op.

In het vorige hoofdstuk beschreven wij proeven, waaruit bleek, dat het hart tegen het pericardium aanklopt. Daar de vloeistof, welke in het pericardium gebracht werd, synchroon met de hartslag er uit verwijderd werd, menen wij hieruit de conclusie te mogen trekken, dat het volume van het hart in de verschillende phasen van de hartslag niet gelijk is. Voor het gemak zullen we dan het pericardium als een straffe, niet elastische membraan beschouwen. Zou het pericardium wel elastisch zijn, dan wil dit dus zeggen, dat in de phase, waarin de vloeistof uitgestoten wordt, het pericardium meer gespannen wordt dan in de andere phase (We komen hierop later terug).

In de literatuur is eigenlijk weinig te vinden over de veranderingen van het totale hartvolume tijdens de revolutio cordis. Wel heeft Külbs 42) in 1914 een cardiometer geconstrueerd, waarmede hij afwisselend het totale volume van het hart en het volume van de ventrikels kon registreren en zijn er nog enkele andere publicaties te vinden over de veranderingen van het volume, maar opgelost is dit probleem toch niet. Wallraff schrijft nog in 1937: „Ondanks de toename en de verfijning van onze physische onderzoekingsmethoden is het op dit ogenblik onmogelijk met absolute zekerheid uit te maken, of de totale capaciteit van het hart bij gelijk blijvend slagvolume verandert of niet 43)".

Toch is het voor de meeste onderzoekers logisch, dat op het einde van de diastole (van de ventrikels) het volume van het hart het grootst is. Hauffe 44) daarentegen neemt aan, dat het volume van het hart bij een bepaald slagvolume onder alle omstandigheden gelijk is

42) F. Külbs: Verh. d. Deutsch. Kongres. f. inn. Med. Wiesbaden (1914). «) J. Wallraff: l.c. blz. 421.

«) G. Hauffe: l.c.

Sluiten