Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 15.

Rekkingsproeven met een strookje van het pericardium van een kat.

1 gram belasting kwam in dit geval overeen met 0.0011 KG mM-2. E bedroeg 1,4. 5 gram stond op het schaaltje om het pericardium in de verticale stand te houden.

Bij 1 werd er 5 gram op het schaaltje bijgelegd. De punt van de naald verplaatste zich van 3 naar 8. Bij afname van de 5 gram keerde de naaldpunt terug tot 4 (punt 2). 3 maal werd nu de meting van punt 2 uitgaande, door met 5 gram te belasten en ontlasten uitgevoerd, welke steeds hetzelfde resultaat gaf. Vervolgens werd tot 15 gram belast (11), bij afname van de gewichten tot 10 gram op het schaaltje keerde de punt tot 9 terug. De metingen 4, 5 en 6 gaven overeenkomstig verloop te zien. Bij meting 6 werd tot 40 gram belast '211 -j) en het punt liep in 5 minuten door tot 24. Bij vermindering van de belasting tot weer 5 gram lazen wij nu af: 11.

Men ziet, dat bij een belasting tot 20 gram het verschijnsel „plasticiteit" wel optrad, doch tevens dat het verschijnsel van de „elasticiteit" sterk de overhand had. Bij grotere belasting trad het verschijnsel „plasticiteit" veel meer op de voorgrond.

We zullen even het pericardium als een homogene membraan beschouwen en nagaan, wat de elasticiteitsmodulus voor zulk een membraan zou zijn, wanneer deze een dergelijke verandering opleverde. Men moet het pericardium toch als een functionele eenheid zien. Zo kan men een indruk krijgen, in welke orde van grootte de verschijnselen vallen. Met behulp van de formule = Z. 59), waarin 1

59) R. Houwink: Elasticity, Plasticity and Structure of matter. (1936) blz. 1.

Sluiten