Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pis 16 Voor statische proeven (blz. 47) was de opstelling als in deze figuur. De motor draaide niet en kraan A bleef in de getekende stand staan. Klemkraan C was geheel opengedraaid; de beide kraantjes aan de manometers en G waren dicht. Aan de canule D werd het pericardium bevestigd de canule paste met ingeslepen stop in de ballon. Door nu lucht van verschillende druk ?af te lezen van manometer H) in het pericardium te brengen, kon het volume, dat dit omsloten hield, veranderd worden; dit is af te lezen op de

Voorde dynamische^proeven (blz. 49) werd de motor aan het draaie" gebracht. Het toerental was zo afgesteld, dat kraan A 100 omwentelingen pe minuut maakte. Het pericardium werd 2 x per omwenteling meu de per lucht verbonden en 2 x met de buitenlucht. De ventielen E en F waren juis niet lek vrij" en daarom voor deze proeven zo goed te gebruiken. Juist door deze mTnimale lek" stelde de kwikkolom zich precies in. Kleine veranderingen in de maximale en minimale druk werden, zij het dan^eprntr^f'd^

de manometer aangegeven. De grote d™kschom®el^nTe£^

y.ppi rinnr riP ventielen opgevangen. De maximale druk in het pericardium

werd aTgelezenop m^iomlter H. Voor controle kon men het kraantje even

t p-phrnikt werden (60 mM Hg), was de minimale druk practisch 0.

Om te verhinderen dat er vloeistof uit de stijgbuis naar buiten spatte en tevens om de bewegingen van het pericardium binnen zekere perken t: houden werd een „zuigkracht" ingeschakeld, door de kraan C zover dicht^te draaier^ dat de vloeistofkolom slechts excursies van ongeveer 0.7 cM maakte.

Sluiten