Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook het indeelen der veranderingen in verschillende stadiën, kunnen door de tegenwoordige onderzoeker niet meer worden aanvaard.

Andersen (1920) gebruikte als diagnosticum een paratuberculine, waarbij in 25% van de gevallen een positieve diagnose werd verkregen.

Beach en Hastings (1922) gebruikten in Amerika voor hun onderzoek Johnine en wel werd dit intraveneus ingespoten, terwijl om het uur gedurende 10 uur de temperatuurverhooging gemeten werd. In een populair wetenschappelijk tijdschrift bevalen zij de boeren aan hun dieren met Johnine te laten onderzoeken, terwijl zij tevens adviseerden de positief reageerende dieren onherroepelijk op te ruimen.

Volgens Panisset en Verge (1924) werden de runderen meestal op een leeftijd tusschen 2 en 8 jaar door de ziekte aangetast. Bij kalveren werd de ziekte niet gezien, doch wel bij vier dieren, welke 18 maanden oud waren.

Victor Carneiro (1925) komt tot de conclusie, dat de klinische diagnose van paratuberculose alleen mogelijk zou zijn in de laatste stadia van de ziekte, hetgeen dus voor de bestrijding weinig waarde zou hebben.

„Le diagnostic précoce de la maladie est le premier moyen de la lutte contre la paratuberculose bovine, il est d'un grand intérêt du point de vue économique".

Valléeen Rinjard (1926) gebruikten een paratuberculine, bereid in de koude en gegroeid op een vasten voedingsbodem. Zij namen tevens proeven met vaccins bij jonge dieren; door een depot van deze entstof onder de huid te brengen, meenden zij de dieren tegen paratuberculose te kunnen beschermen, de resultaten werden nog niet medegedeeld.

„Nous manquons encore d'un procédé courant sur et vraiment spécifique de diagnostic précoce de 1'entérite paratuberculeuse, qui permette de sacrifier hativement avec un minimum de pertes tel sujet condamné a une déchéance certaine. Nous sommes aussi toujours dépourvus d'un moyen de prévention pratiquement suffissant.

C est le début même de l'infection paratuberculeuse qu'il faut dépister."

Verder verschenen in 1926 drie dissertaties, namelijk van E r i c hsen, K. H. Meyer en Schusterreit, welke naast de Engel-

Sluiten