Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook in de subserosa en zelfs tusschen de beide spierlagen treft men infiltraatcellen aan, ook epithelioide cellen soms duidelijk perivasculair. Ook wordt hier dikwijls een belangrijk oedeem aangetroffen, terwijl het aantal bacillen, dat men hier vindt, slechts gering is te noemen. K. F. Meyer noemt 2 dergelijke gevallen.

Ook hier werd in geval 14, in de subserosa een phlebitis paratuberculosa aangetoond, hoewel in tegenstelling met het reeds genoemde geval 18 geen verband met specifieke veranderingen in de omgeving van het vat kon worden gevonden.

De mesenteriale lyniphklieren vertoonen in den regel als gevolg van een matig oedeem (lymphstuwing?) een duidelijk verschil van sinussysteem en het lymphoide weefsel, doch ook worden vaak opvallend weinig veranderingen aan de klieren gezien. Het lymphoide weefsel bevat in de bast follikels met een groot kiemcentrum. De sinus zijn wijd en vertoonen vooral in het merg een fraai netwerk van uitgespannen reticulumcellen. In het bastgedeelte en den randsinus treft men dikwijls veel hoopjes epithelioide cellen en reuzencellen aan, het aantal reuzencellen is hierbij zeer wisselend.

Bij kleuring volgens Ziehl-Neelsen wordt een wisselend aantal zuurvaste stafjes gevonden. Is het aantal bacillen gering, dan worden ze in de hoopjes epithelioide cellen gevonden en practisch gesproken alleen in het bastgedeelte; noch in de kiemcentra der follikels en noch in de sinus van het merg worden dan bacillen gezien. Dikwijls echter in verband met den zeer grooten bacillenrijkdom o.a. door de lymphangitis paratuberculosa, vindt men de sterk uitgezette sinus van het bastgedeelte opgevuld met epithelioide cellen en reuzencellen, zwaar beladen met bacillen, terwijl ook in de mergsinus dan herhaaldelijk cellen met bacillen worden gevonden. De kiemcentra van de follikels zijn dikwijls groot, terwijl enkele cellen soms zuurvaste staafjes bevatten. Deze groote kiemcentra zijn waarschijnlijk als een niet specifieke verandering te beschouwen, zooals ook bij andere chronische aandoeningen bekend is.

In de sinus van het merg zijn de reticulumcellen vrij sterk beladen met kleine geelbruine pigmentkorrels, waarbij echter de vertakte vorm der cellen bewaard is gebleven (ook in normale lymphklieren worden deze cellen met pigmentkorrels op dezelfde plaats gevonden).

Op het voorkomen van min of meer zuurvast gekleurde korrels en schollen zal nog nader worden teruggekomen.

Sluiten