Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«ene galachtige braking deed ook zeer dikwijls de ziekte bedaren , zoo ook somwijlen een sterk jeukend uitslag. De koorts duurde slechts 4 of 5 dagen , doch er bleef steeds een lastige hoest over, met een vrij aanmerkelijk gevoel van zwakte.

De aderlating was zelden noodig, en dan alleen in het begin der ziekte. Zachte braking verwekkende middelen waren zeer nuttig, zoo wel om de eerste wegen te zuiveren, «als om het zweet te bevorderen, en dus der natuur te hulp te komen; het gebruik van wei met een weinig wijn was zeer dienstig. Wanneer de hoest slepende werd, waren zachte purganlia, bij herhaling gegeven, zeer nuttig; de natuur bragt somwijlen ook zonder deze middelen, door zachte, slijmige ontlastingen en door eene lichtgele urine, ziektescheiding tot stand. In het geheele beloop der ziekte waren Spaanschevlieg-pleisters steeds van groot nut.

Volgens Müssciienbroek , de Gorter en van Swieten was deze epidemie ook in ons land zeer algemeen. Zij begon na zware koude, die door warmte, vochtigheid en nevels werd opgevolgd. Bij ons waren de voornaamste verschijnselen: pijn in de ledematen, zwaarte van het hoofd, moeijelijke ademhaling, hoest en heeschlieid, voortspruitende uit eene ligte ontsteking van het slijmvlies, dat mond-, neus- en keelholte bekleedt. Bij weinigen slechts vond van Swieten de aderlating gevorderd; zachte zweetdrijvende middelen waren voldoende, — eene geneeswijze geheel overeenstemmende met die van de Gorter , te Harderwijk, en weinig verschillende van die van Musschenbroek, welke dezelve, na eenenlangdurigen mist, op het einde van 1732, te Utrecht, waarnam en met aderlatingen en verzachtende middelen genas (1).

Dezelfde epidemie bleef, in onderscheidene landen, heerschen in de jaren 1754, 55, 56, 57. Zij nam, in dit laatste jaar, een zeer kwaadaardig karakter aan. De overstroomingen en de hongersnood, die aan dezelve inSilezië, waar zij groote verwoestingen aanrigtte, waren voorafgegaan,

(1) Vin Swieteiï, Const. epid., I, p. 350. — Musscbehbroek, Uitgclez. natmirk. Verhand.; Amst., 1764, Deel I, hl. 328—335. — De Goiitek, Morbi epid. deseriptio et curatio per diaphoresin; Harderovici, 1733. — f. AWbrechts, de Vertaler van dit werkje (Amst., 1733), noemtookde ziekte zinkingachtig, met pijnen op de borst, als bij pleuritis, somwijlen met ijlhoofdigheid en gestadige brakingen, waartegen echter de aderlating niets vermogt. — Vergelijk ook J. de Jussieu , An Calarrliis epidemicis Theriaca ? conclusio affirmans; Parisiis, 1733. 4°.

Sluiten