Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der longen vrijer en de fluimlozing gemakkelijker werd. De urine was troebel, nu eens rood, dan weder helder bleek, of met een steenkleurig bezinksel bezet. Vele lijders kregen bloederige fluimlozing of neusbloeding. Geringe giften Manna, verdunnende, de uitwaseming zacht bevorderende dranken waren bij de bovenvermelde verschijnselen veelal voldoende ter genezing. Wanneer echter de ziekte zich ineenenmeer hevigen graad openbaarde, ontstonden er aandoeningen van de borst, stikzinkingen , bloedspuwingen , longontstekingen enz. — Bejaarde en zwakke lieden leden in deze epidemie, zoo als gemeenlijk plaats heeft, het meest, en waren veelal onderhevig aan flaauwten , ligte aanvallen van beroerte, verzwakking , koortsen , ijling enz. — De bloederige hoest, of bloedspuwing , die in deze ziekte, nu en dan , plaats had , week voor 1 of 2 aderlatingen, duurde zelfs, als hij hevig was, 7 dagen, en vereischte dezelfde geneeswijze, als de acute, aanhoudende hoest. — De toen dikwijls voorkomende catarrhus suffocativus was, van den aanvang af, gepaard met eenen vollen , intermitlerenden pols; de lijders schenen groot gevaarte loopenvan te zullen stikken. Verzachtende, oplossende middelen, vooral scillilica, en de aderlating waren hoogst nuttig. Eene op nieuw gevatte koude vereischte het gebruik van opwekkende, arotnalielce en zweetdrijvende middelen.

Den 15. Januarij had er eenc aanmerkelijke verandering in den dampkring plaats; door den invallenden dooi verdwenen de sneeuw en het ijs, en de epidemie nam toen een ander karakter aan. Velen leden aan verkoudheid in het hoofd; sommigen hadden een rood, opgezet aangezigt, eenen versnelden, onregelmatigen pols en eene geweldige drukking en zwaarte door het gcheele hoofd. Deze verschijnselen weken voor voetbaden, verdunnende, zweetdrijvende dranken en baden. Er ontstond daardoor veelal zweet, waardoor de hoofdpijn verminderde, en wel naar mate het zweet langer aanhield. Behalve de verkoudheden in het hoofd, leden velen aan rheumalische pijnen in onderscheidene ligchaamsdeelen; meermalen ontstond er eene zinkingachtige ontsteking van de oogen , de ooren, het gehemelte , de keel en het spijsverteringskanaal. Wanneer de ziekte in de maag gezeteld was, kregen de lijders maagkramp, hadden een gevoel van ijskoude in de maag, leden veel aan winden en somwijlen aan braking; wanneer de ziekte voornamelijk de

Sluiten