Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Infus. Valerian. en Sal Ammon; alsmede kleine giften Vtnum Antimonii, Tart. emet., lpecac., Spir. Minder, en, tot nakuur, Sulph. Chinini. — Na dezen tijd zijn, ieder voorjaar, de catarrhale voorjaarskoortsen veel menigvuldiger, dan voorheen, hier en elders voorgekomen. Ook de epidemische Griep van 1850—55 vertoonde zich , even als vroegere epidemiën, het eerst in het Noorden van Rusland. Trekt men, van Petersburg tot aan de zeeëngte van Gibraltar, eene lijn, dan heeft men zoo tamelijk de rigting, welke de Griep, ditmaal, in haren loop genomen heeft, d. i. de rigting van het noordoosten naar het zuidwesten. De winter, die aan deze epidemie voorafging, toonde zich in het Noorden ongemeen zacht, doch streng in het Zuiden. De lente was ongestadig, koud en vochtig (1). — Nog heviger en belangrijker, zoo wel in hare algemeene versprei-

(1) Hawstock , in The Edinburgh med. and surg. Journal, 1833, April; Gazette médicale , 1833, Mai.— DatdeGrtV/?, even zeer door het vatten van koude, als door persoonlijke aansteking;, zich verspreidt, is eene daadzaak, die, volgens Most, niet te loochenen valt.— Merkwaardig is het, dat deze catarrhale ziekte, welke Most, in zijne monographie, op het jaar 1822 prognosticeerde, insgelijks, als de vroegere, uit het hooge Noorden is voortgekomen. Zoo heerschte zij reeds in het jaar 1826 en 1827, in den wintertijd, in Siberië (zie Russische militairische Zeitschrift, 1830, en Speijer , in Hufelako's Journal, 1834, Juli). — Ofschoon zij eerst eenige jaren later bij ons en in het overige , westelijke en zuidelijke Europa verscheen, zoo valt dit in het geheel niet te verwonderen ; want ook de epidemische Zinkingkoorts van het jaar 1802—3 verscheen eerst te Lucea, even als in geheel Italië, in het jaar 1806 , toen zij in Etrurië , te Lucea meer nerveus , te Genua en Paria, volgens Borda, meer van ontstekingachtigen aard was.— Zie j. D. Coiappa , Saggio d'istoria sul Catarro epidemico vet., ou Essai htstorique sur la Catarrhe épidémique observe' aux bains de Lucques en 1806; Lucca, 1806. — Dat deze epidemie (die wij, daar zij met vroeger vermelde volkomen overeenkomt, niet uitvoeriger hebben willen beschrijven) zich niet alleen over geheel Europa , maar ook over Azië en Amerika, verspreid heeft, is uit de binnen- en buitenlandsche geneeskundige tijdschriften van dien tijd genoegzaam bekend. Bedrend's, liepertor. der med.-chir. Journalistik des Auslandes, St. 33, Aug., S. 113 u. 156. — Hüfeland's Journal, 1832—34. —• J. Radius, De influcntia morbi anni 1833; Lips., 1833. — Jancovius , Dissert. de Influenza; Lips., 1831. — Escderich , die Influenza; Wurzb., 1833. — G. Himit , Darstcllung der Grippe; Hannover , 1833. — Wehtske , Die Influenza 1833; Breslau, 1833. — Ziatorowich , Geschichte des epid. Katarrh.; Wien , 1834. — Briekke de Boismoht, Considerations pratiquea sur la Grippe etc.; PaFis, 1833. — J. Campaignac, Considerations sur la Grippe, maladic epidemique , qui a regné a Paris en Juin. 1831. — Wat het geschiedkundige dezer epidemiën betreft, leze men vooral G. Gluge , die eene hoogst belangrijke bijdrage tot deze Zinkingkoorts geleverd heeft, in Heckir's Wissenschaftlxche Annalen, 1836, Bd. IJl, Heft 2.

Sluiten