Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin verkregen heeft, het perspectief-zien na te gaan. Meestal is ook dit onder het verschil in belichting van de objecten reeds aanwezig.

Het verschil in helderheid van de 2 objecten wordt nu geleidelijk aan minder gemaakt, totdat het geheel opgeheven is. Worth geeft aan, dat 5 of 6 lessen, eenmaal per week gegeven, bij een jong kind reeds voldoende zijn om een redelijk sterken wensch naar fusie te ontwikkelen. Verder zegt hij: „It must be remembered that the prime object of these exercises is the training of the fusion sense at a time when this may be successfully accomplished, not a mere remedying of the deviation. In many cases, however, the ,,desire for fusion thus established, directly brings about a cure of the squint. In the larger group of cases, in which optical correction of refractive error is depended upon to lessen, and perhaps overcome the deviation, there is no danger of the newly acquired faculty of fusion sense being lost meanwhile. If even a faint degree of fusion sense

has once been acquired, its persistence is truly remarkable If the

periodic measurement of the angle of the deviation shows that this is not decreasing under optical treatment, advancement of one external rectus or of both, should be performed. This mechanical obstacle to fusion having been removed, the child's trained fusion sense then finds its expression in the act of binoculair vision."

Bij een kleine verticale deviatie gebruikt Worth prismata, of een amblyoscoop, die ook in de verticale richting versteld kan worden.

Conservatieve behandeling van het strabismus divergens volgens Worth.

Worth verdeelt strabismus divergens concomittans in: Myopisch strabismus divergens, hetzij unilateralis of alternans, en Neuropathisch strabismus divergens.

In tegenstelling met strabismus convergens is de fusie-zin bij strabismus divergens myopicus in den regel goed ontwikkeld.

De oorzaak van dit scheelzien zou gelegen zijn in de incongruentie tusschen accommodatie en convergentie bij het werken op korten afstand. Eerst gebruikt het kind één oog alleen, terwijl de fixeerlijnen parallel loopen. Later, door het niet gebruiken van de convergentie, wordt de functie zwakker, met als gevolg dat er strabismus divergens alternans ontstaat. Dubbel-zien treedt niet op, omdat bij het werken op korten afstand, het divergeerend oog gericht is op een of ander voorwerp verder af gelegen dan het fixeerende, waarbij, ten gevolge van de bijziendheid, het verder afgelegen object wazig gezien wordt. In het begin verdwijnt de divergentie zoodra de persoon naar een meer verwijderd voorwerp kijkt, en treedt de fusie-neiging weer op. Daar de beelden toch wazig gevormd worden, wordt met verloop van tijd de divergente stand ook voor verder verwijderde objecten wisselend: het ééne oogenblik bestaat er een groote hoek van scheelzien, het andere daarentegen staan de oogen recht, veroorzaakt door de sluimerende fusie-neiging.

Sluiten