Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorts werd nagegaan, in hoeveel gevallen korrels gevonden werden op de conjunctiva bulbi. Memoreer ik hierbij, dat zulks volgens Schieck zeldzaam is, terwijl Pascheff reeds jaren geleden gevallen beschreef, waarbij hij zelfs op de cornea granulae vond.

De frequenties der 3 graden van granulair trachoom, zouden o.i. een aanduiding zijn van het verloop der aandoening niet alleen, doch ook van het feit, hoe vaak men bij de diagnostiek der lichte trachoomgevallen, vergissingen zou kunnen maken met de folliculaire conjunctivitiden.

Van verschillende zijden, zoo b.v. door Angelucci wordt er op gewezen, dat er een overgangsvorm bestaat tusschen beide aandoeningen. Mijn lichte gevallen (niet identiek met het initiaal-trachoom) hebben enkele, doch reeds typische granulae aan het bovenlid, aan het mediale en ook wel aan het laterale deel van de overgangsplooi en der conjunctiva tarsi. Van deze granulae zijn enkele rijp en manueel uit te drukken. Verder kunnen reeds enkele jonge korrels aanwezig zijn aan het onderlid.

De verder gevorderde gevallen hebben meerdere korrels; het heele bovenlid kan er reeds mee bezet zijn. Minder korrels komen voor aan het onderlid, waarbij opvalt, dat de meeste ervan nog jong zijn en niet uit te drukken.

Het volledige beeld van het granulaire trachoom is typisch door de haast volledige bezetting van de conjunctivae tarsi en fornices door korrels, welke spontaan al bersten of tijdens het ectropioneeren van het ooglid, met ontlediging van den karakteristieken inhoud. Is de appreciatie van de door mij onderscheiden groepen van lichte en verder gevorderde gevallen van granulair trachoom nog voor een deel afhankelijk van persoonlijke gevoelens, de derde groep — het volbeeld —, dat vrijwel door allen, als Saemisch, Axenfeld, Brückner, Avizonis e.a. op dezelfde wijze wordt beschreven, is te typisch, dan dat het nog moeilijkheden zou geven bij de registratie.

Deze krijgt men echter door het feit, dat het trachoom, alle schematische indeelingen ten spijt zich vaak manifesteert als de bekende mengvormen, met granulae, litteekens, entropion, trichiasis, pannus etc.

LITERATUUR.

Axenfeld. Die Atiologie des Trachoms 1914. S. 21.

Schieck. Kurzes Handb. d. Ophthalm. Schieck-Brückner. 1931. IV. Bd.

Saemisch. Graefe-Saemisch. Handb. d. Aughk. 1904. V. Bd. I. Abt.

Sluiten