Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij hebben dit met elkaar gemeen, dat:

1. zij leven vrijwel geïsoleerd t.o.v. andere naburige bevolkingsgroepen,

2. de communicatie tusschen hunne kampongs onderling slecht is en in hun dorpen weinig of geen verkeer bestaat.

Daarentegen zien we hoe Maleiers, Chineezen, Javanen en Boegineezen (alle zwaarder besmet met trachoom), in een uiterst gemengde maatschappij verkeeren en leven in kampongs welke onderling goed verbonden zijn en met meer verkeer. Zeer onwaarschijnlijk is het dat hier zuivere (endogene) ras-invloeden de verschillen in besmettingscijfers kunnen verklaren. Van verschillende zijden werd n.1. de meening verkondigd dat de verschillende rassen ook een verschillende immuniteit (event. dispositie t.o.v. het trachoom zouden hebben, berustend op echte ras-invloeden, een meening o.a. geuit voor de Negers, Celten, Scandinaviërs, Duitschers, Israëlieten etc.

Gaan we na wat de literatuur ons hieromtrent leert:

RASDISPOSITIE EN RASIMMUNITEIT.

Klinische ervaringen bij verschillende rassen hebben verschillende onderzoekers al gauw er toe geleid, het ras als het belangrijkste aetiologische moment bij het ontstaan van het trachoom te gaan beschouwen. Reeds in 1876 heeft Zwan Burnett in New York gewezen op de immuniteit van de negers voor het trachoom. Na hem hebben ook anderen als Burns, Licien Howe en Finlay op het feit gewezen, dat onder de negers zoo weinig trachoom voorkwam.

Jarr verklaarde in 1899 uitdrukkelijk, dat boven alle andere invloeden, die, afhankelijk van het ras, de voornaamste aetiologische beteekenis hebben. Chibret beweerde van de Celten dat ook bij hen rasinvloeden het essentieele is bij het ontstaan van het trachoom en minder de hoogte van de streek boven den zeespiegel. Dit vraagstuk werd ook door andere waarnemers voor verschillende andere rassen behandeld.

Zoo heeft Ole Buil erop gewezen, dat de Scandinaviërs in Amerika vaak trachoom hebben, terwijl ze het in hun eigen land zoo zeldzaam vertoonen.

Peters, Loewenstein en Gstettner wezen op ervaringen met het Duitsche en Oostenrijksche leger, dat in den wereldoorlog, ondanks een langdurig verblijf in vrij zwaar besmette trachoomstreken toch practisch trachoomvrij bleven, hetgeen zou moeten pleiten voor een zekere rasdispositie.

Sluiten