Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MüUer. Über die agyptischen Augenentzündungen. Archiv. für Augenheilk.

1899. Bd. 40, S. 13.

A. H. Millet. Ann. d'oculist 1924, pag. 656.

N. Schimkin. Ann. d'oculist 161, pag. 891—911, 1924.

P. J. Petit. Ann. d'oculist, Mai 1922.

M. Nevot. Klinische Betrachtungen über das Trachom. Archiv. de oft. 24,

261, ref. Z. BI. f. d. g. O. Bd. 14, S. 98.

E. Morelli, Boll. d'oculist, 3, 45.

Sobhy Bey. XIII. Consil. Ophthalm. 1929 Holl., Symposia.

Ticho, id.

Toulant, id.

Sozuke Miyaschita, id.

Urret, Zavalia, Alberto. Über die Entwicklung des Trachoms in Cordóba

(Spanisch). Ref. Z. BI. f. d. g. O. Bd. 14, S. 589—590.

Avizonis. Zur klinischen Frühdiagnose des Trachoms. Zeitschr. f. Aughk. Bd. 81.

Svesnikov, A. und E. Kleyn. Beitrag zum Trachomstudium nach Materialien der Augenanstalt in Zivilisk. (Russisch). Ref. Z. BI. f. d. g. O. Bd. 26, S. 615.

HET TRACHOOM BIJ DE ONDERZOCHTE ZUIGELINGEN.

Ik vond onder 658 zuigelingen 21 lijdend aan trachoom (d.i. 3,19 %). De 13 trachomateuse Javaansche zuigelingen waren verdeeld als volgt: Pemalang 3, Soeghiwaras 6 en Taman 4. De 5 lijders onder de Boegineezen waren: Tempe 3, Sengkang 1, Pampanoea 1. Bij de Maleiers op Sambas vond ik 1, en bij de Chineezen aldaar 2. De frequentie van het zuigelingentrachoom bij de verschillende bevolkingsgroepen is als volgt:

Dajaks —

Maleiers 1 %

Chineezen 2 %

Boegineezen 2,5 %

Javanen 10,6 %

Alfoeren —

Voor zooverre het aantal onderzochte zuigelingen het toelaat, daaruit conclusies te mogen trekken, blijkt, dat onder de lichtbesmette bevolkingsgroepen (Dajaks en Alfoeren) geen trachomateuse zuigeling werd gevonden, terwijl hoe zwaarder een groep besmet is, hoe meer zuigelingen de aandoening hebben. Dit blijkt vooral, als men vergelijkt de reeds boven genoemde totale trachoompercentages met die uitsluitend bij zuigelingen.

In alle gevallen was trachoom in het gezin aanwezig. In 18 der

Sluiten