Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder de Javanen (3,34 %) het minst onder de Alfoeren (0,6 %). Steiner zag in Soerabaia deze aandoening vrij vaak.

Conj. phlyctaenulosa kwam voor bij 0,23 % der onderzochten. Bakker vond in Weltevreden 1,5 %, Hotte in Bandoeng in 1928 6 %, in 1929 1 %, Wille in Semarang 1,5 %. Ook Kessler en Steiner vonden de phlyctaenulaire aandoeningen heel zeldzaam. Si Boen Lian echter zag in Djokja deze aandoening veel meer, n.1. in 3,1 %. Over het algemeen schijnt dus de conj. phlyct. in Indië een vrij zeldzame aandoening. In tegenstelling hiermee vermeldt Elliot een frequentie van 33 %.

Chron. conj. blijkt nog het meeste onder de Javanen voor te komen (1,87%).

LITERATUUR.

Dudinov, O. Über die akuten katarrhalischen Conjunctivitiden in Mittel-

Asien (Russisch). Ref. Z. BI. f. d. g. O. Bd. 24, S. 588—589.

Schieck. Kurzes Handbuch d. Ophthalmol. 1931. Schieck-Brückner, IV. Bd. S. 47.

Van der Hoeve, J. Gonorrhoe en oog. Nederl. T. v. Geneesk. Jg. 75, 1931. Steiner. Übersicht über 3104 Falie von Augenkrankheiten bei Malayen.

Geneesk. T. v. Ned. Ind. 1896. Bd. XXXVI. Blz. 32.

Lazarescu, Dimitru. Die Gonococcen-conjunctivitis bei Sauglingen und Kindern in der Augenklinik zu Jassy, (Rumanisch). Ref. Z. BI. f. d. g. O. Bd. 27, S. 807.

Huber, E. Beitrag zur Kenntnisse der Augenblennorrhoe (Spanisch). Ref.

Z. BI. f. d. g. O. Bd. 27, S. 807.

Bakker. Kurzes Handb. d. Ophthalmol. 1931. Schieck-Brückner, VII. Band, S. 507.

Hotte. Geneesk. T. v. Ned. Ind. 69, 704, 1929.

Wille, Kessler. Geneesk. T. v. Ned. Ind. 69, 895, 1929.

Si Boen Lian. Geesk. T. v. Ned. Ind. 68, 1074, 1928.

Elliot, R. H. Tropical Ophthalmology.

Sluiten