Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 a 2 mm dikte, waarna het geheel gedurende eenige weken onder water werd bewaard. Noch aan de rand, noch in het midden traden scheuren op. Proeven met behulp van een pyknometer gaven een zelfde resultaat. Een lichaam van 12 a 15 mm lengte en 6 mm diameter werd na volledige verharding in een pyknometer onder zwavelkoolstof gebracht; op de zwavelkoolstof bevond zich een laag water. Het toestel werd in een Dewar-vat op constante temperatuur gehouden. De zwavelkoolstof diende om te verhinderen, dat water door het cement zou worden opgenomen. Bij geen der preparaten veranderde de stand van de meniscus in de capillair gedurende enkele dagen. Ook werden nog cylindertjes van 6 mm lengte en 6 mm middellijn onder water in een veerende tang geplaatst, waarbij eventueele lengteveranderingen sterk vergroot werden weergegeven door een wijzer op een schaalverdeeling, Op deze wijze werd evenmin volumeverandering waargenomen.

De doorschijnendheid is wel een der meest karakteristieke eigenschappen van de silicaatcementen. Met behulp van een seleencel bepaalde Dieck de hoeveelheid doorgelaten licht, die bij de verschillende cementen weinig uiteenliep. Door uitdrogen verminderde de transparantie sterk, maar deze steeg door rehydratatie weer tot de oorspronkelijke waarde, mits het uitdrogen niet te ver was voortgezet.

De zure reactie der cementen werd uitvoerig onderzocht door CROWELL'. Hij bepaalde allereerst de tijd, die noodig is voor het volledig verloopen van de chemische reactie tusschen het zuur en het poeder in het reeds verharde cement. Daartoe werden kleine glazen vormen met het cement gevuld en dadelijk na de verharding in afgemeten hoeveelheden water geplaatst. Na een zekere tijd werd het cement in het water gepoederd; na toevoeging van nog een afgemeten hoeveelheid water werd de oplossing gefiltreerd, waarna door middel van indicatoren de p// werd bepaald. Voor ieder cement werd een reeks van deze bepalingen gedaan; zoo werd het verloop gevonden van wat Crowell noemt de „total potential acidity van het cement na de verharding. Hoewel de bepaling van de p^ in dergelijke ongebufferde oplossingen niet zeer nauwkeurig kan zijn, werden toch onderling goed vergelijkbare resultaten verkregen. Onderzocht werden drie silicaat- en twee fosfaatcementen. Bij de fosfaatcementen was de stijging van de pH het snelst en het grootst; een half uur na het mengen werd een pw van 5.3 gevonden, waarop een geleidelijke

Sluiten