Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRIEDRICH84 onderzocht van drie fosfaat- en twee silicaatcementen de verhardingstijd, de drukvastheid, de afsplitsing van zuur door het verharde cement en verder de korrelgrootte van het poeder en de viscositeit van de vloeistof.

Wat de verhardingstijd betreft, komen zijn waarnemingen met die van Dieck overeen: de binding begint na 1 minuut en is bij de fosfaatcementen na 4, bij de silicaatcementen na 5 minuten afgeloopen. De metingen werden verricht met behulp van een Vicat-naald.

Voor de bepaling van de drukvastheid vervaardigde hij cylindertjes van 10 mm hoogte en 10 mm middellijn; de bepalingen werden verricht met een hefboompers, of, voor de grootere drukvastheden, met een hydraulische pers. De metingen werden verricht aan cylindertjes, die bij 20° en bij 37° C. gedurende respectievelijk 1, 8 en 28 dagen bewaard waren in een vochtige atmosfeer. De invloed van de temperatuur was alleen merkbaar bij de cylinders van een dag oud; de bij 37° C. bewaarde vertoonden een iets grootere drukvastheid. Na 8 dagen was er practisch geen verschil meer; ook was, zoowel bij 20° als bij 37° C., de drukvastheid na 28 dagen nauwelijks merkbaar grooter dan na 8 dagen. De gevonden waarden liepen bij silicaat- en fosfaatcementen niet sterk uiteen en bedroegen na 1 dag 375 tot 635 kg, na 28 dagen 710 tot 975 kg per cm2; ze liggen aanmerkelijk beneden de door Dieck verkregen waarden.

Op de afsplitsing van zuur door het verharde cement deed Friedrich alleen een kwalitatieve reactie: het cement werd bevochtigd en gedurende 10 minuten met een blauw lakmoespapiertje bedekt. Bij cementen van een dag oud trad een zwak zure reactie op, maar met het ouder worden verminderde de reactie en na plm. vier weken was de reactie neutraal geworden.

De korrelgrootte van de poeders bepaalde Friedrich door directe waarneming in het microscoop met behulp van een netoculair. Deeltjes met grooter afmetingen dan 7 ^ kwamen practisch niet voor. Bij vijf van de zes onderzochte poeders had een fractie van 60 a 80 % een korrelgrootte beneden 2.3 n; de fractie tusschen 2.3 en 4.6 H bedroeg 15 a 30 %, terwijl slechts 5 tot 10 % lag tusschen 4.6 en 6.9 n; het zesde poeder was belangrijk grover van korrel.

Van de vloeistoffen werden door Friedrich de viscositeiien onderling vergeleken door meting van de tijd, benoodigd voor het uitstroomen van een bepaald volume vloeistof uit een

Sluiten