Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaat het cement uit de niet aangetaste deeltjes van het poeder, omgeven door een massa van continue structuur, die bestaat uit gelatineus kiezelzuur en aluminiumfosfaat.

FRIEDRICH94, die ook de bindtijd en drukvastheid van eenige fosfaat- en silicaatcementen bepaalde, evenals de korrelgrootte van de poeders en de viscositeit der vloeistoffen (zie blz. 15), verrichtte van deze cementen kwalitatieve analyses. Op grond van de positieve reactie op Ca in de poeders komt hij tot de bevreemdende conclusie, dat de silicaatcementen hydraulische eigenschappen hebben, waaruit hij dan besluit, dat het cement tijdens de verharding gerust bevochtigd zou mogen worden1-. De verharding wordt door Friedrich zonder nadere motiveering toegeschreven niet zoozeer aan de vorming van fosfaten als wel aan hydratatie; daartoe zou aan de fosforzure vloeistof opzettelijk water zijn toegevoegd.

Door middel van microfoto's nam Friedrich waar, dat bij de inwerking van de vloeistof op het poeder een gel wordt gevormd, dat hij met behulp van methyleenblauw kon identificeeren als kiezelzuur03. In microfoto's van slijpplaatjes van twee silicaatcementen vond hij kristallen, die hij houdt voor calciumsilicaat, dat ook bij de verharding van portland-cement gevormd wordt. Het lijkt evenwel niet aannemelijk, dat bij reactie van fosforzuur met een tegen zuren niet bestendig silicaat iets anders zou kunnen gebeuren dan de vorming van fosfaten en het in vrijheid stellen van het uiterst zwakke kiezelzuur, temeer daar het milieu ten slotte nog zwak zuur blijft reageeren; het moet onjuist zijn, een analogie te zoeken tusschen het zuur reageerende tandcement en het fosforzuurvrije, sterk alkalisch reageerende portland-cement met zijn totaal andere chemische samenstelling. Bovendien is Friedrichs experiment zelf aan ernstige bedenking onderhevig; hij maakt namelijk geen melding van voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van dehydratie van de preparaten, die te Göttingen geslepen en te Breslau gefotografeerd werden. Niet alleen is het onzeker, welke bewerkingen de preparaten bij het vervaardigen van de slijpplaatjes ondergaan hebben (verwarming bijv.), maar, de vrij lange tijd tusschen het slijpen en het fotografeeren in aanmerking genomen, moet het ook zeer onwaarschijnlijk geacht worden, dat de preparaten nog gaaf geweest kunnen zijn, daar dehydratatie bij silicaatcementen zeer snel plaats heeft. De waarneming van deze kristallen is dan ook op zich zelf reeds van hoogst twijfelachtige waarde.

Sluiten