Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MgSiFB varieerden deze tijden eveneens sterk, en wel van 3 min. (met ZnO) tot 3 uren (met ThO,).

De bereikte drukvastheden waren gering; bij de meeste cementen konden de cylinders van 1 cm middellijn de konstante belasting van het toestel (17 kg) niet weerstaan. De beste resultaten gaven ZnO en AL03 met de oplossing van ZnSiF„; de bereikte drukvastheden na 28 dagen waren respectievelijk 100 en 95 kg/cm". Het ZnO gaf ook met de oplossing van MgSiF,, een cement van een meetbare drukvastheid (35 kg/cm2), zelfs met Al2(SiF„)3 en water werd nog een drukvastheid van 25 kg/cm2 bereikt. Verder leverden de combinaties CdO-ZnSiF,; en CdO-Al2 (SiF„) 3 nog cementen met drukvastheden van respectievelijk 25 en 20 kg/cm2; met geen der andere oxyden werd overigens een drukvastheid van 17 kg bereikt. Bij de meeste der oxyden traden storende verschijnselen op: bij CaO en MgO vond de verharding plaats onder sterke warmte-ontwikkeling; de cementen met CdO en CeO= zetten na eenige dagen uit; hetzelfde vertoonden ook La203 en Th02, waarvan de cementen gedeeltelijk tot poeder uiteenvielen. Met al deze oxyden trad aanvankelijk wel verharding van het cement op, maar de drukvastheid bleef onbeduidend.

Nadat zoo gebleken was, dat van de oxyden het ZnO en ALO:) en van de drie silicofluoriden ZnSiF,, en MgSiF,., de beste resultaten gaven, werd aan cementen uit deze bestanddeelen de invloed van de korrelgrootte op verhardingstijd en drukvastheid onderzocht. Van de beide bij 900° C. gegloeide oxyden werden drie fracties van afnemende maximale korrelgrootte uitgezeefd. Deze drie fracties van elk der oxyden werden met de oplossingen der beide silicofluoriden aangemaakt en van de cementen de verhardingstijd en de drukvastheid bepaald, de laatste in twee reeksen metingen, waarbij de cylindertjes respectievelijk bij 20° C. en bij 37° C. werden bewaard; de metingen werden voor ieder cèment 1, 8 en 28 dagen na de verharding uitgevoerd. De resultaten zijn weergegeven in tabel 13. De oxyden no. I waren gezeefd door een zeef van 30 mazen per cm1, de oxyden II door een zeef van 60 mazen per cm1 en de oxyden III door een zeef van 80 mazen per cm1.

De plasticiteit was bij de fijnere poeders iets beter dan bij de grovere. De verkorting van de bindtijd met afnemende korrelgrootte, die Friedrich constateert, klopt niet met de cijfers; integendeel, de grofste poeders hebben de kortste verhardingstijd,

Sluiten