Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gedeeltelijke neutralisatie van de vloeistof met A1(0H)3 en Zn (OH) 2 heeft ten doel, met behoud van een hoog P20r,-gehalte de reactiviteit van de vloeistof te verminderen, zooals CROWELL reeds aangaf. Diens meening, dat de twee basen gebruikt worden, omdat de vloeistof anders aan een der beide zouten verzadigd zou moeten zijn, is echter niet juist; van de beide hydroxyden zou de vloeistof nog belangrijke hoeveelheden kunnen opnemen.

Het Al-fosfaat vergroot de viscositeit van de vloeistof zeer sterk en geeft aan het cement een goede plasticiteit; de reactiesnelheid wordt er sterk door verminderd. Te veel Al-fosfaat schaadt de verwerkbaarheid van het cement, dat daardoor te kleverig wordt.

Het in de vloeistof opgeloste zinkoxyde dient alleen voor regeling van de reactiviteit van de vloeistof; het heeft vrij zeker een ongunstige invloed op de drukvastheid van het cement; misschien vermindert het de krimp bij de verharding.

Van het poeder zoowel als van de vloeistof kan de samenstelling binnen ruime grenzen gevarieerd worden, zonder dat het mengsel het karakter van cement verliest. Met name kon vastgesteld worden, dat van een poeder, waarin het CaO door de aequivalente hoeveelheid Na^O is vervangen, bij vermengen met een oplossing van natriumfosfaat in fosforzuur een goed verhardend cement ontstaat, dat tegen de inwerking van 0.5 N azijnzuur goed bestand is.

De samenstelling van het poeder en de vloeistof van het cement S I, zooals die in tabel 8 vermeld is, moet dan ook ontstaan zijn doordat de hoeveelheden van de verschillende bestanddeelen, in verband met hun invloed op de eigenschappen van het cement, zóó gekozen zijn, dat een cement van zoo gunstig mogelijke eigenschappen gevormd wordt.

C. Enkele waarnemingen aan fluoorhoudende cementen.

Hoewel de beschikbare tijd ons niet meer toeliet, de silicaatcementen met fluoorhoudende poeders aan een meer systematisch onderzoek te onderwerpen, meenden wij ze toch niet geheel aan de aandacht te moeten laten ontgaan.

De poeders van de cementen S III en S V (tabel 8) bevatten beide plm. 22.5 % Si02, ook de hoeveelheden F verschillen bijna niet: resp. 24.6 en 22.7 %. S III bevat nog een derde zuurvormend bestanddeel, het P205, in belangrijke hoeveelheid.

Sluiten