Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanvankelijk werden bij het microscopisch onderzoek geen aanwijzingen verkregen voor het ontstaan van kristallen bij de verharding; steeds was het reactieproduct een mooi doorschijnend gel. Alleen werd in een preparaat, gemengd uit 30 mgr. poeder en 90 mgr. van de vloeistof nr. 4, na verloop van een dag een zeer groot aantal uiterst fijne deeltjes van zeer lage brekingsindex waargenomen, die echter te klein waren om er een bepaalde vorm aan te kunnen herkennen; ook kon er geen dubbele breking aan worden waargenomen.

Werd een weinig van het poeder S III in 2 N zoutzuur gebracht, dan ontstonden groote, platte, zeshoekige kristallen, waarvan de brekingsindex lager was dan van de oplossing; ze waren zeer zwak dubbel brekend. Daar zoowel de chloriden als de fosfaten van Na, Ca en Al goed oplosbaar zijn in verdund zoutzuur, kunnen deze kristallen wel niet anders zijn dan een fluoride, een silicofluoride of een aluminofluoride.

Een mengsel van 30 mgr. poeder met 90 mgr. fosforzuur van 30 % P20, vertoonde deze groote kristallen niet, maar wel weer een zeer groot aantal uiterst fijne deeltjes, meestal niet scherp van omtrek, waarvan de brekingsindex veel kleiner is dan die van de stukjes glas. Bij zeer sterke vergrooting waren in deze deeltjes soms zeshoeken te herkennen, soms parallelogrammen; het is dus wel zeker, dat we te maken hadden met kristallen. Dubbele breking kon aan deze kristalletjes niet worden waargenomen.

In een mengsel van 30 mgr. poeder met 60 mgr. fosforzuur werden de kristalletjes zoo klein, dat er geen vorm meer aan kon worden waargenomen.

Het is niet onwaarschijnlijk, dat de groote kristallen, gevormd in zoutzure oplossing, identiek zijn met de kleine kristalletjes in de fosforzure oplossing. In de laatste zou dan de groote viscositeit, en misschien in het bijzonder de aanwezigheid van Al-fosfaat, de vorming van grootere kristallen verhinderd hebben, terwijl door de uiterst geringe afmetingen der kristallen de zwakke dubbele breking niet meer waarneembaar is.

De identiteit van de gevormde kristallen werd niet meer nader onderzocht. Door de' zeer kleine brekingsindex (belangrijk kleiner dan 1.43, de brekingsindex van het poeder) is het wel zeker, dat er geen sprake kan zijn van een fosfaat, evenmin als van CaF2, terwijl NaF zeer onwaarschijnlijk is, omdat het isotroop is en betrekkelijk goed oplosbaar. Vrij zeker moet gedacht worden aan

Sluiten