Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslaat, zoodat hetzelve, zoo als Billard te regt zegt, noch voor de voeten, noch voor den romp tot zeker steunpunt dienen kan.

Ligt het kind rustig — het nu volgende heeft vooral op grootere kinderen betrekking — slaapt het aanhoudend en vast, beweegt het zich met gepaste kracht, zonder dat in deszelfs bewegingen iets haastigs of angstigs wordt waargenomen, dan besluit men hieruit met eenige waarschijnlijkheid tot de gezondheid van hetzelve. Van eenen zoodanigen rustigen toestand onderscheidt zich die van krachteloosheid of verdooving; in het eerste geval beweegt zich het kind in den rustigen toestand gedurende het waken of volstrekt niet, of zonder kracht; is het echter in eenen staat van verdooving , dan is gewoonlijk het oog strak, de oogleden bedekken het grootste gedeelte van hetzelve, en sluiten zich ook gedurende den slaap niet geheel. Onwillekeurige zamentrekkingen van spieren , die gewoonlijk met een pijnlijk vertrokken gelaat, en stiere of rollende, flikkerende oogen gepaard gaan, geven krampaandoening te kennen. Wenden zich de kinderen onophondelijk van den eenen kant op den anderen, zonder eene bepaalde ligging te kiezen of aan te nemen, dan is gewoonlijk koorts aanwezig , die deze onrust veroorzaakt, of het kind is angstig of pijnlijk. Volgt op deze onrust plotselijk bewegingloosheid, zonder dat daarmede tevens eene afneming van den koortsachligen toestand gepaard gaat, dan is dezelve het gevolg van groote afmatting , cri als een ongunstig teeken te beschouwen. In het tegenovergesteld geval echter voorspelt het eenen niet minder ongurstigen uitgang wanneer kinderen na ziekten , die met koorts gepaard gaan, in het bed geen rust meer vinden , nu eens rondgedragen, dan weder nedtrgelegd zijn willen, en daarbij groote magteloosheid vertoonen ; want deze onrust is het gevolg van de ongunstige wending die de ziekte genomen heeft. Bij hersenaandoeningen, vooral in het waterhoofd, buigen de. kinderen het hoofd sterk naar achteren , zoo dat liet achterhoofd bijna in aanraking met de wervelkolom komt, en de kin in de hoogte gerigt is. Beweegt een kind het hoofd nu eens naar deze, dan weder naar de tegenovergestelde zijde, zoodat het zich op het kussen als het ware schuurt ot wrijft, en kan men noch miliaria , tinea capitis , noch eene andere jeuking veroorzakende huidziekte aan het achterhoofd ontdekken , dan heeft men bij kleine kinderen aan winderigheid, windkolijk of ziekten van het inwendige oor , bij grootere echter aan zuur, bedorven maag of wormen te denken. Deze verschijnselen komen echter ook somtijds in het eerste tijdperk, dat der prikkeling namelijk, van hersenaandoeningen voor. Eene achteroverhuiging van het hoofd, neemt men ook waar in het laatste tijdperk der croup, in de angina fonsillaris en bij alle aandoeningen van den hals , wanneer de ademhaling gestoord is. De ligging op het gezigt kiezen de kinderen gedurende de lichtschuwheid , die bij klierachtige oogontsteking voorkomt, en bij hevige hoofdpijn ; in het laatste geval liggen zij gaarne met het voorhoofd op den schouder van den persoon , die hen draagt.

Gezonde kinderen kunnen even goed of op den rug, of op den buik ol op de zijde liggende slapen. Waar zulks niet mogelijk is, mag men meestal tot de aandoening van het een of ander in de borst gelegen werktuig besluiten. In ontstekingszickten der long kiezen de kinderen gewoonlijk de ligging op den rug, omdat zij alsdan het minst door den hoest gekweld worden. J. E. Löbisch (1) heeft waargenomen,

(1) Algemcine Anleitungzum Kindcr-Kraukcnexamen,s. 57,Wien, 18-32.8.

Sluiten