Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zucht overging , hetgeen ook aan de opmerkzaamheid van Jaim niet ontging. Hoe sterker deze roodzucht bij de pasgeborenen geweest was, des te donkerder gekleurd was de op dezelve volgende geelzucht; waarom dan ook in den laatsten tijd de geneeskundigen zich vrij algemeen overtuigd houden , dat deze soort van geelzucht der pasgeborenen, die als een overgang van dc roodzucht tot de natuurlijke kleur der huid moet beschouwd worden, slechts het gevolg is van eene plaats gehad hebbende bloedstasis de huid , even zoo als men ten gevolge van ecchvmosen , na dc opslorping des blocds , eene geele kleur der huid waarneemt. ElsSsser (1) beschouwt de roodzucht als eene wijziging der geelzucht, en zag door dezelve nood de gezondheid der kinderen gestoord. ScBöklein leidt dezelve van het te spoedi" vergroeijen van den ductus arteviosus /> otülli en van het foramen 'ovale af. F.X. Verson (2) nadert meer tot ons gevoelen, daar hij de roode kleur aan de te zeer verhoogde levenskracht der huid, en den daardoor veroorzaakten vermeerderden aandrang van bloed naar dezelve , die nu eene groote verandering ondergaat, toeschrijft. Martin (3) zag de roodzucht meermalen het karakter van roos aannemen, waarbij dezelve zich op alle die plaatsen , waar een overgang van de uitwendige huid in een slijmvlies plaats had , inwendig verspreidde. Somtijds ging de roodzucht ook in intertrigo over , welke ziekte Jaun derhalve dikwijls slechts als eene op eene vaste plaats beperkte en op die plaats alsdan sterk uitgedrukte roodzucht beschouwt.

Bij pasgeborenen, die schijnbaar dood geboren worden, geeft een opgeblazen gezigt met eenen b'laauwen kring om den mond en neus, den apoplectischen — algemecne bleekheid van liet slappe I.gchaam . den svncoptischen — een opgezet gezigt, blaauwachtig rood, den suftocatorischen vorm van schijndood (zie dit hoofdstuk) te kennen. Bij zogende en reeds oudere kinderen doet de blaauwe kleur der huid , vooral van het aangezigt, organische gebreken van liet hart en der groote vaten, of eene krampachtige aandoening van de ademhalingswerktuigen vermoeden (zie blaauwzueht); somtijds is dezelve echter alleen het gevolg van kramp in de ademhalingswcrkluigen en de groote bloedvaten ten gevolde van pevatte koude of onderbuiksaandoeningen. Blaauwe kleur der na-els cn vingers in de engelsche ziekte duidt eenen hoogen graad dezer ziekte aan. Is de huid hoog geel gekleurd en deelt daarin tevens de sclerotica van het oog, dan moet men aan de gestoorde verrigting dei lever denken. Eene drooge huid van eene graauwe kleur, met in het oog vallend uitstekende huidtepeltjes, wordt somtijds gedurende het geheel verloop van darmaandoeningen waargenomen (4). Gebrekkige voeding en ver gevorderd klierlijden veroorzaken een gezwollen aanzien van de bleeke of groenachtig geele'huid (5). Groote afwisseling in de kleur des aangezigts is dikwijls bij wormlijden aanwezig. Bij eene sterk roode kleur

(1) Schmiilt's Jahrbücher, Bd. XXXVI, S. 79. Leipz. 1812,

(2) Der Arzt am Krankenbctte der Kinder, III. Theil. Wicn , 1858, S. 63. 8.

(3) Ibidem.

(4) A. Berton, Traité des inaladies des enfans. Paiis, 1837, p. 333.

(ö) Collin. Zie Schmidt's Jahrbücher 3. Supplementband. Leipz. 1842-

8. S. 2S3.

Sluiten