Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van liet aangezigf, gepaard met moeijelijle ademhaling, zoekt G. Taupiji de zitplaats der ziekte altijd in de borst (1). Is de cene kant van het gezigt rooder dan de andere, of is alleen de eene zijde van het gezigt rood, dan is de ziekelijke aandoening aan beide zijden niet even hevig, of slechts eene zijde aangedaan. Was bij borstaandoeningen de roode kleur van het gezigt van den beginne af voorhanden en wordt dit later loodkleurig, dan geeft zulks het toenemen der ziekte te kennen. Bij de pneumonta lobularis en hypostatica wil Taüpin het gezigt der kinderen dikwijls violetrood gevonden hebben. Aanmerkelijke bleekheid van het gezigt, met gelijktijdige kleurloosheid van de lippen, kondigt niet zelden bij kleine kinderen rhachitis, bij grootere , vooral meisjes, de ophanden zijnde bleekzucht aan. Een sterk rood en tevens opgeblazen gezigt., niet uitpuilende, glanzende oogcn, is het gevolg van cenen bovenmatigen aandrang van bloed naar het hoofd. Omschrevene roodheid van eene wang gaat niet zelden :net het moeijelijk tandenkrijgen gepaard. Het plotselijk bleekworden van het ligchaam wordt in onlstekingsziektcn, vooral gedurende het verloop van met koorts gepaarde uitslagziekten, ten allen tijde voor een zeer bedenkelijk verschijnsel gehouden.

Gp de roodzucht der pasgeborenen volgt allijd afschilfering der opperhuid, waardoor Jaiin verleid werd, het laatste verschijnsel als het gevolg der roodzucht te beschouwen. Billard heeft echter bewezen hetgeen Elsüsser bevestigd heeft, dat de afschilfering der opperhuid bij pasgeborenen een natuurlijk verschijnsel is, dat nooit achter blijft, en verklaart dit proces daardoor, dat de bij de geboorte als het ware nog van het sclmapsvocht. doordrongen opperhuid, wanneer zij aan de lucht is blootgesteld , hare lenigheid , welke zij door middel van de huiduitwaseming niet in staat is te bewaren , verliest, droog wordt, kleine scheuren krijgt , en zich vervolgens in schubjes of in schilfertjes afscheidt. Volgens Elsïsser en Bür is deze vervelling niet het onmiddellijk gevolg van de omringende lncht, maar een natuurlijk ontwikkclingsverschijnsel. De geneesheer behoeft derhalve in die gevallen , waar bij kinderen in de eerste weken van hun leven dit verschijnsel wordt waargenomen , in geenen deele aan eene voorafgegane huidziekte te denken. Neemt de gereglelijke geneesheer op een kinderlijk sporen van deze afschilfering der opperhuid waar, dan heeft hij het zeker bewijs, dat het kind niet doodgeboren was, omdat dit verschijnsel altijd eerst een of meer dagen na de geboorte begint (rr). In zeldzame gevallen neemt men hetzelve eerst na 14 dagen waar. Even onbepaald als het te voorschijn treden van deze afschilfering is ook de

(1) Revue médieale de Paris. 1858. Déeeinbre.

(rr) Wanneer wij nagaan, dat Cartts bij twee pasgeborenen eene als na de hevigste searlatina plaats grijpende afschilfering der epidermis waarnam , om van de overige niet zou zeldzame voorbeelden der mede ter wereld gebragte loslating der opperhuid bij levende en doode kinderen niel te gewagen (Osiander, IVfiegele, Haler, Jüig enz ); wanneer wij voorts acht geven op den verschillenden vorm, als lijnen, schubjes, schilfers, lappen (Billard) , waarin dit bekleedsel bij de natuurlijke effolialie na de geboorte afgescheiden wordt, dan zal, door de mogelijke verwisseling dezer beide toestanden , het opgegeven bewijs voor hei leven van het Lind als niet zoo uitsluitend zeker mogen worden aangenomen. Verl.

Sluiten