Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uaor de stemspleet in de longen dringt. Is daarentegen de toon bij het eigenlijk schreeuwen onderdrukt, en alleen het intrekken der lucht hoorbaar, dan bewijst zulks, dat slechts een onbeduidend gedeelte van het longweefsel met lucht gevuld is, en de ademhaling derhalve slechts onvolkomen heeft plaats gevonden. — Schreit een kind met moeite of inspanning , hetgeen men aan de pijnlijke uitdrukking der gelaatstrekken en aan het zinken, zwak worden of wegsterven van den toon kan bespeuren, dan is meestal eene gewigtige aandoening van de ademhalingswerktuigen, b. v. pleuro-peripneumonie of uitstorting van vocht in de borstholte aanwezig ; Billard nam echter het moeijelijk schreeuwen ook in een geval van gastromalacie, bij eene pericarditis en bij een aan peritonitis lijdend kind waar. Het verstikte geschreeuw, bij hetwelk geen geluid wordt waargenomen , geeft bij kinderen, die vroeger volkomen hadden adem gehaald, altijd ontsteking der longen , van de glottis of van de longpijptakken te kennen. In enkele gevallen schijnt het, als of de stem bij het kind geheel ontbreekt; Cedersciijöld (1) heeft dit tweemalen bij kinderen waargenomen , van welke het eerste reeds na 24 uren, het andere na 18 dagen stierf; in het eerste geval hing het gebrek aan stem duidelijk van asphyxie , in het laatste van eene in hoogen graad aanwezige atalectusis pulmonum (zz) af. Wij hebben daarentegen een geval waargenomen , in hetwelk een volkomen gezond kind, zelfs na een jaar , geene stem gekregen had, en bij het weenen (aaa) slechts een heescii geluid gaf; hier stond dit afwezig zijn van de stem buiten twijfel met eene organische afwijking in verband. Een schelle toon bij het schreeuwen wordt door het geraasmakend inademen bij hevige en pijnlijke keelontsteking , bij zamensnoering van het strottenhoofd , ten gevolge van een in hetzelve aanwezig vreemd ligchaam , bij tot koud vuur neigende keelontsteking en in de croup voortgebragt, en wordt, volgens Billard, gewoonlijk bij ontstekingachtige aandoeningen van het strottenhoold en de luchtpijp waargenomen. Ook geven kinderen , die aan het heete waterhcofd lijden , dikwijls herhaalde malen eenen enkelen schreeuw, van schei-piependen toon, op welken Maukoir opmerkzaam gemaakt heeft en dien wij altijd hebben waargenomen. Deze soort van schreeuw schijnt het gevolg te zijn van de pijn , die het kind bij de gewelddadige uitzetting en scheuring der hersenen, door de in de hersenholten zich altijd vermeerderende hoeveelheid water, ondervindt. Dof en heesch wordt de toon van het huilen bij spruw, alsmede bij catarrhale aandoeningen, en meestal is in het laatste geval deze toon van een duidelijk slijmgereutel vergezeld. Het blatende geschreeuw schrijft Billard aan de angina oedetnatosa toe; men moet echter in het oog houden , dat de drie kinderen , bij welke B. het waarnam , bovendien nog aan chronische darmontsteking (1) Ars Berattelse om Swenska Lakaic-Sallskapets Arbeten af 1838. (zz) Onder deze benaming duidt Jörb dien toestand aan , waarin de longen van het kind slechts gedeeltelijk met lucht gevuld worden, zoodat een ander gedeelte nog in den foetaaltoestand blijft verkeeren. (Zie hieromtrent later de debilitas recetis natorum). Vert.

(aaa) Hel is eene eigenaardige opmerking, dat jonge kinderen zelden ol nooit tranen storten , hoewel dc glandulae lucrymales even volmaakt als andere klieren ontwikkeld zijn : daartoe schijnt eene zekere vatbaarheid voor gemoedsaandoeningen noodig te wezen. Vetl.

ti

Sluiten