Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij scarlatina. Dit tcekc-n is echter niet altijd aanwezig, en vrordt verder in iedere soort van keelontsteking waargenomen , ja zelfs zonder ontsteking, na aanhoudend schreeuwen en bij zuigelingen na het zuigen. C. Taepin vond bij borstziekten altijd eenen eigendommei ij ken toestand van den mond; in die gevallen namelijk, waarin het beletsel van de geregelde ademhaling in de keel zetelt (bij croup, waterzucht van de stemspleet, verstikkingsaanvallen bij kinkhoest), opent het kind den mond wijd en trekt het hoofd achterover, de oogen puilen uit en het gezigt wordt bleek of loodkleurig; in die gevallen daarentegen, waarin de ziekte in de longen of in het borstvlies schuilt, houdt het kind de oogen gesloten, de lippen bij elkander, en bij de inademing zijn de neusvleugels als het ware zamengedrukt, zoo als b. v. in de dyspnoea. Is het noodzakelijk de mondholte te onderzoeken en weigert het kind den mond te openen, dan bereikte Valleix (1) dikwijls zijn doel daardoor, dat hij met zijnen vinger op de kin drukle, om het tot schreeuwen te brengen. Sluit het kind dan echter den mond nog vaster, zoo als niet zelden bij landen krijgen het geval is, en moet men zich van de aanwezigheid van stomatitis aphthosa of van eene andere aandoening vande keel overtuigen, dan blijft er niels anders over, dan den neus digt te houden , waardoor het tol het openen van den mond wordt genoodzaakt , en zoo tegen wil en dank begint te huilen. Om de tong te zien, bediene men zich van de kunstgreep, die Gölis aanwendde, om b. v. bij keelontsteking, de keelholte te zien ; hij bragt alsdan spelend den pink in de mondholte van het kind, en drukte met dezen vinger op den tongwortel. Zoodra dit geschiedt, onlstaat er neiging tot braken, het kind opent den mond wijd, en in dien tusschentijd kan men de gesteldheid van de binnenvlakte naauwkeurig gadeslaan. Dat dit niet dadelijk na het zuigen geschieden mag, daar het dan spoedig braking zoude verwekken, behoeft wel naauwelijks herinnerd te worden.

De eetlust gaat bijna in alle koortsige ziekten verloren, doch keert gewoonlijk met de beterschap weder, waarom dan ook de terugkeer van dezelve als een gunstig teeken te beschouwen is. Een voortdurend gestoorde lust tot eten toont een dieper lijden van de voeding aan. In de atrophie wisselt somtijds, volgens Löbiscii , een bovenmatige eetlust met gebrek aan appetijt af. liet aanwezig zijn van wormen geeft zich daardoor te kennen, dat de kinderen dadelijk na het ontwaken willen eten, en dat misselijkheid en bleekheid van het gelaat ontstaan, wanneer zij niets krijgen. Ook is wel eens bij wormen , even als bij physconie , klierziekte, engelsche ziekte en ophooping van slijm in de darmen, eene begeerte naar raauwe, drooge of koude zelfstandigheden aanwezig.

De dorst staat in ziekten, die van koorts vergezeld gaan, altijd met den graad van opwekking in verband ; zoodat dezelve met de toenemende hitte vermeerdert en met het afnemen van deze vermindert. Slechts in zenuwziekten vertoont zich bij groote hitte en drooge tong dikwijls volstrekt geen dorst, ten gevolge van de onderdrukte zenuwwerkdadigheid. In slepende ziekten, zoo als klier- en engelsche ziekte en atrophie zoude de aanhoudende dorst, vooral het vele drinken gedurende den nacht, volgens Löbiscii, een zeer bedenkelijk teeken zijn, en uit de voortschrijdende ontwikkeling van deze ziekten ontstaan. Bij

(4) Cliniquc des maladies des enfans nouveau-nés. Paris, 1838. 8. p. 32.

Sluiten