Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■met anasarca, hetwelk Richard (1) onlkendc, nam En. Martih (2) waar. Men heeft zelfs cene groote uitzetting van den buik bij een foetus, doorhydatiden en ophooping van water in de pisblaas en de pisleiders, zien ontstaan (3). Wat lot de verschillende soorten van waterzucht bij het foetus lieert aanleiding gegeten , is niet zeer gemakkelijk te bepalen. IIemer zegt, dat de moeder van het hydropisch kind aan klierziekte leed. In het geval vanKisawas de moeder insgelijks klierachtig, had bovendien gedurende de zwangerschap aan perilonitis geleden , en was van dien tijd af steeds ziekelijk geweest. Carus en Jengmasn brengen de waterzucht van de vrucht met hydrops ovi in verband , en Lamoeroïx met. hydrometra ; in de door Dorsten en Oi.livier waargenomen gevallen was de moeder te gelijker tijd aan waterzucht lijdende. Richard neemt aan , dat eene storing in den bloedsomloop , vooral in de navelstreng aan de waterzucht schuld heeft, doch houdt tevens het vermoeden van Siairsos voor waarschijnlijk , dat het foetus aan peritonitis geleden had , en ook West ontdekte aan het foetus sporen van voorafgegane ontsteking. Wanneer Galetti de hoeveelheid van het uit het geopend foetus weggevloeide water als 30 ponden opgeeft, werd buiten twijfel het vruchtwater mede gewogen, lot dc bijzondere soorten van waterzucht van bet foetus behoort ook de hydrocele, over welke afzonderlijk zal gehandeld worden.

Ook de geelzucht is somtijds aangeboren , zoo als de waarnemingen van vele geneeskundigen bewijzen; tot deze behooren hr,. dei.e boE Sylvius (4), Tn. Kerkring (5), Wrisberg (ö), Paharola (7), Schurig (8), garmann (9) , SciniLTZ (10), FeüRE (11), MlCHAëL (1^), iioogeveem (13), a. j. Graeuwek (14) en anderen. Schulti , Fehre en Graeuwen zagen de moeder te gelijkertijd aan de geelzucht lijden. Le.itin (15) gelooft, dat voornamelijk de epidemische geelzucht zich aan het loetus mededeelt. Loüstein (16) beschrijft onder den naam van Kirrhonose eene bijzondere ziekte van het foetus , in welke de weivliezen en het zenuwmerg

(1) Traité pratique dc3 maladies des en fans. p. 76.

(2) Schmidt's Jahrb. enz. Snpplemtb. III, S. 427.

(3) Rusi's Magazin fiir die gesammte Heilkunde. Rerlin. 1825. Bd. XIII , S. 331.

(4) Prax. med. Lib. I. Cap. 46. no. II. p. 302. — Confer. Mise. natur. Curios. Dec. III. an. 2. obs. 40 et Dec. I. an 6. obs. 241.

(S5) Specileginm auatom. obs. 57. p. 118.

(6) Descript. anatom. cmbryon. 1764 oh. I.

(7) Observat. med. Pentecost. obs. 44. p. 157.

(8) In. Op. Cit. p. 193.

(9) De mirae. mort. lib. 11. Tit. I. §. 48. p. 33S.

(10) Miscell. natur. Curios. Dec. I. an. 6 et 7 obs. 241. p. 3o5.

(11) Ibid. Dec. III. an 2. obs. 40.

(12) Observat. prax. clin. spec. eas. 23. p. <537.

(13) De foetus huraan. morb. Lugd. Balav. 1789. p. 09.

(14) Anserles. Ablidlg. zum Gebraueh fiir prakt. Aerzte. Bd. XIV, St. I, S. 173. Leipz. 1791. 8.

(18) Beitriige zur ausübenden Arzneiwissenscli. 1797. I, S. 29.

(16) Repertoire général d'anatomie et de pbysiol. pathol, Paris. 1826.

Toni. I, p. 141.

Sluiten