Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houdt, onrustig wordt, veel schreeuwt, dat het bleek wordt, »poedig vermagert en dat er eindelijk stuiptrekkingen on,B|aaU j welke de voorboden des doods zijn.

OnrWa geneeskundigen hebben het lioofdbloedgezwel niet gekend; wel heeft J. A. Burchard (1) aangetoond , dat reeds Aétius (2), B. Vai.estisds (3) en F. Madriceau (4) hetzelve hebben waargenomen ; F. B. Osiander (5) heeft echter het eerst eene eenigzins naauwkeurige beschrijving van hetzelve gegeven, ofschoon hij deze gezwellen nog als abnormale fontanellen beschouwt.

Eenige geneeskundigen , zoo als Burchard , Sciimalz , Feiler (6) , Eu. v. Siebold (7), F. B. Osiander en Hüter (8) hebben gezamenlijk de huid van het hoofd, welke het gezwel bedekt, abnormaal gekleurd aangetroffen, en zijn derhalve met de waarnemingen der meeste geneesheeren in strijd; dit wordt echter daardoor zeer goed verklaarbaar, dat gelijktijdig op die plaats het gewone hoofdgezwel zal hebben bestaan. Dit gelijktijdig voorkomen van het oedemateuse hoofd- en hoofdbloedgezwel is ook misschien in sommigegevallen oorzaak van de aanmerkelijke grootte. Zoo zag b. v. Ed. van Siebold (9) een hoofdbloedgezwel van de grootte van eene mansvuist; dit zoude derhalve de geheele bloedmassa van het kind in zich bevat hebben , wanneer het niet door de waterzuchtige zwelling van de hoofdbcklecdselen zoo groot voorgekomen was. Onderzoekt men de basis van het gezwel met de vingers , dan ontdekt men eenen verhevenen, harden, de zwelling omgevenden ring , die in het tijdperk van de hoogste ontwikkeling der kwaal nooit ontbreekt, en welken MiciiAëiis als karakteristiek heeft opgegeven. Miciuëus was van gevoelen , dat bij het hoofdbloedgezwel de bovenste beenplaat van het wandbeen altijd ontbrak; dit is echter niet het geval, want in meerdere gevallen hebben wij ons, na het openen van zulke gezwellen door middel van de sonde , overtuigd , dat de beenplaat onder het bloedgezwel glad en gezond was. Indien Miciuëus in een enkel geval het ontbreken van de bovenste beenplaat heeft waargenomen, dan was dit misschien, zoo als Pu. DoEPr (10) vermoedt, ten gevolge van verettering of beenzweer. Wel is waar zijn eenige gevallen bekend geworden, waarin het onder de bloeduitstorting aanwezige beenstuk ziekelijk werd aangetroffen (11),

(1) De tuinore cranii reeens natorum sanguineo symbolae. Vratislaviae. 1857. 4.

(2) Aëlii Amidenij librorum medic. Libr. VI. Toin. I. Venet. 1534. Fol. 99.

(5) Ephemerid. natur. curiosor. Dec. II , an 2. 1685. obs. 162.

(4) Traité des nialadies des femmes grosses. Livr. III. c. 24.

(8) Beobaebtungen, Abbandl. und Nachrichten iiber Krankheiten der Fraucnzimmer und Kinder. Tubingen, 1787. S. 258.

(6) 1'adialrik. S. 34.

(7) Journal fiir Geburtshiilfe. Bd. IX. Ileft. I. S. 47.

(8) Gcuieins. deutsebe Zeitsehrift fiir Geburtskunde. Bd. IV, Heft. 2. S. 223. (9) Journal fiir Geburtshiilfe. XIII. 1. 1853.

(10) Sammlung vermisehter Abbandl. aus dem Gebiete der Heilkunde von einer Gesellsebaft prakt. Acrzte zu St. Petersburg. V. Hamburg, 1855. 8.

(11) Mcissner's Forschungen des 19. Jabrhund. Bd. VI. S. 143.

Sluiten