Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nam El), v. Sieeold (1) van deze operatie door insnijding waar; alsmede Fr. Haasf. (2), Heïfelder , Patzoll en anderen. De laatste ontlastte tenen eetlepel vol zwart bloed; na acht dagen was de voelbare ruwheid der beenderen verdwenen; gesloten had zich de wond reeds vroeger. Ofschoon C.liêlll's en Lüwenuard de troiquart tot opening van het hoofdbloedgezwel voorslaan, omdat verschillende geneeskundigen beweren, het uitgestorte bloed nooit geronnen te hebben aangetroffen, stemmen echter de gedane waarnemingen hieromtrent niet allen overeen. Wij zelve vonden onloochenbaar gestolde gedeelten in een zoodanig bloedgezwel , dat vier weken lang aan de natuur was overgelaten , en dat door de insnijding ontlast werd; en Mende(1) en IIüter spreken van het gestolde bloed in dergelijke gezwellen bevat. Valleix wil groote hoofdbloedgezwellen door insnijding doen openen , niet omdat men voor caries der beenderen behoeft te vreezen, maar omdat de schedel, die nog geenen lijd gehad heeft tot verdere beenvorming, eenen grooten rijkdom aan bloedvaten vertoont, en de spoedige ontlasting het spoedig aansluiten der weeke deelen waarschijnlijker maakt. De door Levret voorgeslagen kruissnede is ounoodig, en wordt niet meer gebezigd. Wil men de insnijding doen, dan scheert men te voren het haar van de het gezwel bedekkende huid af, en verrigt dan de opening even als bij een absces. Na de ontlasting zuivert men de wond , en brengt de randen derzelve bij elkander, om, zoomogelijk, door de eerste vereeniging (per primam intentionem) genezing te bewerken. Bemerkt men daarentegen, dat zich op nieuw stoffen hebben opgehoopt, dan gelukt de eerste vereeniging niet, en doet men wel, ecnige plukseldraden in de wond te leggen, om liet voortdurend uitvloeijen van de in den beginne bloederige, later etterige vloeistof te onderhouden. In het eerste geval geschiedt de sluiting van de wond door hechtpleisters, in het laatste bezigt men drooge compressen. Was reeds voor de operatie ettering ontstaan, dan laat men de holte met het aftreksel van hel een of ander specerijachtig kruid uitspoelen. Later wil Wokurka geenc inspuitingen gedaan hebben , en geeft hij den raad, niets aan de wond te doen. Indien zich een beenstuk mogt afstooten, dan moet dit op de bekende wijze verwijderd worden. In de eerste dagen mag het gezwel niet geopend worden, maar altijd eerst dan, wanneer men gedurende ecnige dagen heeft waargenomen, dat hetzelve niet meer in omvang toeneemt, omdat men anders voor eene herhaling te vrcezen heeft, hetgeen niet het geval is, wanneer men eenen geruimen tijd, in de hoop, dat er opslorping zal plaats hebben, heeft laten verloopen. Mogt er bij het openen van het gezwel een grootere vaattak beleedigd worden, dan bedient men zich tot het stelpen van de bloeding van in koud water gedoopte comprcsscn ; inogtcn deze niet toereikende zijn, dan neme men zijne tocvlugt tot het bestrooijen met styptischc poeders. Bij slechte afscheiding liet Dieffemiach bij dag omslagen met chamillenthee , en bij nacht eene zalf uit 4 -6 deelen ung. rosat. en 1 deel wng. daphn. mezerei aanwenden.

Volgens de tot heden toe gedane waarnemingen verklaren wij ons

(1) Journal fiir Geburlsh. etc. Bd. IX. St. I. S. S9. Bd. XVI. St. 5. S. Ö70.

(2) Gemeins. dcutsche Zeitschr. für Geburlskunde. Bd. IV. lift. 3. S. 437.

(3) In. op. cit. S. <512,

Sluiten