Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woi (1) deelt mede , dat hij dikwijls in de nieren van pasgeborenen gruis en steentjes, welke acidum uricum bevatten, heelt aangetroffen. Magendie (2) heeft aangetoond , dat het roode pisgruis uit piszuur bestaat (3), en dat het rijkelijk alzctsel daarvan in de pis, het gevolg is van zeer veel stikstof bevattend voedsel, onder hetwelk de dierlijke spijzen en (volgens Bérard's , OrfiiVs , Procst's en Derzelius's ontledigen) de kaasstof van de inelk eene eerste plaats bekleeden. Duvernoy (4) merkt intusschen aan, dat er ook bij verschillende plantenvrelende dieren eene niet onbeduidende hoeveelheid piszuur in de pis gevonden wordt, en loont zich geneigd, het voorkomen van hetzelve meer aan eene oorspronkelijke of, door het genot van zure spijzen opgewekte ziekelijke zuurvonning in de eerste wegen toe te schrijven. Ten gevolge van dit gevoelen wil ook D. het onloochenbaar nut van de koolzure alcalien , bij pisgruis en pissteenen , meer van eene opslorping dezer zuren in de eerste wegen, dan van eene ontbinding der piszure steenen (naar Magendie) afleiden, hetgeen hem daarom nog des te waarschijnlijker voorkomt, omdat de koolzure alcalien, zelfs buiten het ligchaain , slechts eene zeer geringe oplossende kracht op het piszuur uitoefenen. De ondervinding spreekt echter in alle opzigten voor de theorie van Magendie; hij vond namelijk dat in al de gevallen, waarin het roode pisgruis voorkwam , de pis zuur reageerde , en dat dit niet meer het geval was , zoodra de koolzure alcalien in eene rijkelijke hoeveelheid inwendig waren gebruikt; dat verder , zoodra , ten gevolge van het gebruik dezer middelen , de pis alcalisch reageerde, ook de oplossing der steenen en van het pisgruis begon en spoedig voortging. Dit toont ook Ch. Peut (5) ten opzigte van de bronnen van Vicur aan , welke zich tegen het pisgruis buitengewoon werkzaam betoond hebben. Tevens maakt echter I'etit er opmerkzaam op, dat de alcalien ook de beste oplossende middelen voor het blaasslijin zijn, hetwelk bij de meeste blaassteenen het eenige middel van verbinding daarstelt.

Reeds Saucerotte beschouwde het witte pisgruis , als gevormd uit de aardachtige bestanddeelen, die door de natuur tot den wasdom der beenderen bestemd zijn , welke in plaats van naar deze , naar de piswerktuigen gevoerd worden. Dit gevoelen heeft door de ontleding van Magendie , volgens welke het witte pisgruis uit phosphorzure kalk beslaat, voorzeker nog meer aan waarschijnlijkheid gewonnen. Prout beweert ook gemakkelijk stuktewrijven witte steenen gevonden te hebben, die geheel en al uit koolzuren kalk bc-

(1) Etudes physiologiques et cliniques pour servir a l'liistoirc des bruits des artères, suivies de propositions sur le svphilis, les maladies de la peau, les maladies des enfans etc. Paris, 1837. 4.

(2) Pliysiol. und medicin. UnlersuchungCR iiber den Harngrics, li. s. w. Nach der 2. Aufl des Französischen bearb. von /■'. L. lUeissner. l,eipz. 1830. 8.

(3) Ileyfeldcr zegt gevonden le hebben , dat het roode pisgruis , bij do ontleding , uil eene zure piszure ammonia met een spoor van piszure potaseb en pliospliorztuir zont beslaat, hetgeen intnsschen Rumpold (Schmidt's Jahrb. J5d. XXIV. S. 241) in twijfel trekt.

(\) G. Duvernoy, Chemisch-med. Untersuehnngen iiber den uienschlichcn llrin. Stutlgart, 183'). 8.

(ö) Charles Petil, du Iraiteiuent médical des ealeuls uritiaires el particiilicremenl de leur dissolution par les eaux de Vicbv et les bicarbonates alcalins. Paris, 1831. 8.

Sluiten