Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziekte 15 malen in de eerste 14 dagen na de geboorte, 8 malen inde derde en vierde levensweek, 2 malen in de tweede , en 3 malen in de derde tot vijfde maand waargenomen. Een geval van erysipelas bij een kind van vier maanden wordt ook door Eitnkr (1), en bij een meisje van 17 weken door Martini opgegeven.

Het beloop der ziekte is niet altijd hetzelfde, en de algemeene bij dezelve aanwezige verschijnselen zoowel als het van deze afhangend gevaar worden bepaald door de plaats, waar de ziekte verschijnt. Op de huid, en wel het meest in de streek van den navel, of ook meer nabij de teeldeelen , zeldzamer aan de wang (lxxxviii) , den hals of de ledematen (2) vertoont zich het eerst eene meestal geelachtig roode vlek, die niet boven de oppervlakte der huid verheven is , en in den beginne geene aanmerkelijke hardheid of hitte doet bespeuren. Spoedig neemt deze roodheid toe, reeds na weinige uren vertoont zich eene merkbare zwelling, groote hitte, aanmerkelijke hardheid en eene blaauw roode kleur, zoo als deze verschijnselen ook bij de roos der volwassenen worden waargenomen. Bij aanraking vandeze verharde plaats verdwijnt de roode kleur voor een oogenblik, en gaat in eene witte of gele over; zoodra echter de drukking ophoudt, keert de roode kleur terug. Deze ontsteking verspreidt zich somwijlen langzamerhand over het geheele ligchaam. ,Törg zag dezelve b. v. van den onderbuik en van de streek der lendenwervels uitgaan, over den geheelen romp tot aan de slapen van het hoofd opstijgen, van hier weder naar de handen, en van de streek van het bekken tot de toonen der voeten nederdalen. — F. A. Schmidt (3) zag dezelve insgelijks aan de genitalia van een meisje ontstaan, en van daar tot de voeten afdalen; in het geval van Eitxer begon de ziekte met eenen furunkel op den linker bil, en verspreidde zich naar boven over den rug en het onderlijf, naar beneden over de linker dij ; Bdsch (4) zag de ziekte tweemalen aan de dijen beginnen , en over de teeldeelen en den onderbuik opwaarts zich verspreiden , en Martihi (5) deelt een geval mede, in hetwelk de roos over het geheele ligchaamheentrok. Wij zagen dezelve aan denhals beginnen , en over het gezigt en den schedel naar den nek trekken. Iedere aan-

(1) Med. Zeit. vondemYerein für lleilk.in Preussen. Berlin, 1840. Nr.81.

(lxxxviu) Sommige schrijvers bestempelen onder den naam van erysipelas

eene plaatselijke met infiltratie van het onderhuids-celweefsel gepaard gaande ontsteking van alle weeke deelen, tot op de beenderen toe. Zij komt meestal aan het gezigt voor , in welk geval Valleix dezelve niet anders dan in het laatste tijdperk der muguet waarnam. Zij begint alsdan aan de bovenlip, welke donkerrood, opgezet, pijnlijk en heet wordt; vanhier breidt zich de ontsteking tot aan den neus en de wangen uit. De uitdrukking van het gelaat verraadt meer of min hevige pijnen. De zwelling van den neus doet de ademhaling roet veel geraas plaats grijpen. Ofschoon de ontsteking niet zeer aanmerkelijk is en meestal bij zwakke kinderen voorkomt, wordt er evenwel koorts waargenomen. Het kind drinkt gewoonlijk begeerig en lydt bijna altijd aan doorloop. Vert.

(2) Billard zag de roos 2 malen aan het gezigt, 16malen aan den romp en 12 malen aan de ledematen.

(5) De erysipelate neonatorum. Diss. Lips. 1821. 8.

(4) Neue Zeitschr. ftir Geburtskunde. Bd. V. St. 2. S. 288.

(8) Hamburg. Zeitschr. für die ges. Medicin. Bd. VIII. Heft. 4. 1858.

Sluiten