Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den , waarvan het beslaan wel van onderscheidene kanten is in twijfel getrolken, welke Gölis (1) echter in het instituut te Weenen beweert, menigvuldige malen te hebben waargenomen. Deze ziekte zoude hoofdzakelijk kinderen van vier maanden tot het einde van het tweede jaar aandoen, en we! inzonderheid kinderen van arme lieden, bij slechte kost en in ongezonde kamers. De blaauwe koorts zou zich periodiek vertoonen, en zich daardoor kenmerken , dat de lijders aan de oppervlakte van het ligchaam spoedig blaauw worden , angstig ademhalen , en eenen kleinen harden en krampachtigen pols hebben. Deze aanvallen zouden zich tot den dood toe telkens menigvuldiger vertoonen. Bij de lijkopening zoude men de bloedvaten tot barstens toe met bloed opgevuld vinden. Daar deze ziekte , uitgenomen de koortsbewegingen , meer van krampachtigen aard schijnt te zijn, heeft Gölis hoofdzakelijk de remedia antispasmodica tot genezing aanbevolen, b. v. liquor corn. cerv. succinat in een slijmig voervocht, laauwe baden met loog; en slechts na het wijken van den krampachtigen toestand schrijft Gölis ontlasting bevorderende middelen, uit calomel of rheum met magnesia voor. Bondik (2) maakt gewag van een geval , waarin een kind van 8 dagen , hetwelk dagelijks 4 tot 8 malen over het geheele ligchaam blaauw, en zoo zwak geworden was , dat het de borst niet meer nemen kon, door een slroopje met muskus hersteld werd. Ook Max. Heine (3) gelooft deze febris coerulea bij een kind van 11 maanden te hebben waargenomen, hetwelk na volkomen welstand in eenen stuipachtigen toestand blaauwzuchtig werd en stierf.

Na de overstrooming van den Donau in het jaar 1838 nam Fr. Eckstein (4) in Pesth en Ofen eene cyanosis abdominalis zonder organische gebreken in den toestel der ademhaling en van den bloedsomloop waar, ten gevolge van ziekelijke verandering der spijsverterings- en assimilatie-werktuigen. De ziekte, welke zich het meest door eene duidelijk blaauwe kleur der huid te kennen gaf, tastte meestal soldaten tot het 30ste levensjaar , voornamelijk brandewijndrinkers aan.

Eindelijk zoude er nog een zweet bij kinderen voorkomen , waarbij de huid een blaauw aanzien krijgt, en als het ware doorschijnend voorkomt. Deze toestand zou van de engelsche zweetkoorts zeer onderscheiden zijn en een meer slepend beloop hebben. Inwendig wordt daartegen een aftreksel van de Kina met melk voorgeschreven, en uitwendig het inwrijven in de huid van zoete amandelolie, hetwelk dagelijks eenige malen moet herhaald worden.

Hoe weinig ook tot heden toe de ondervinding deze opgaven van eenen der beste kinderdoktoren van den nieuwsten tijd bevestigd heeft, is het toch om den roem, dien Gölis zich door zijne waarnemingen op dit veld ■van de geneeskundige wetenschap verworven heeft, noodzakelijk, dat de geneesheeren op deze opgaven letten, ten einde dezelve met opmerkzaamheid te kunnen onderzoeken ; wij voeden dan ook de hoop spoedig verdere mededeelingen zoowel over de blaauwe koorts , als het met eene blaauwe kleur der huid gepaard gaande zweet te zullen ontvangen.

(1) Hufeland's Journ. der prakt. Heilk. 1825. April.

(2) Medic. Zeitung vom Verein fiir Heilk. in Preussen. 1837. No. 13.

(3) Schmidt's Jalirb. Bd. XVII. S. 225.

(4) Oesterr, medicin. Wochenschrift. 1841. Nr. 46 ou 47.

Sluiten