Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet mcnigvuldigst voortekomen. Schneider nam dezelve binnen 14 dagen 6' malen waar, en merkt daarbij aan, dat eene zeer gezochte vroedvrouw aldaar binnen 9 jaren 60 gevallen daarvan heei't waargenomen. De waarnemingen van Riecke en Elsïsser zijn reeds vermeld geworden. Daarentegen beweert Dörr , dat in Pefersburg bij 1500 vondelingen jaarlijks slechts ongeveer 20 gevallen daarvan voorkwamen. Gölis nam onder 88,164 in zijne ziekeninrigting behandelde kinderen slechts 11 gevallen van trismus waar , en Billaro zag in het vondelingshuis te Parijs slechts 2 gevallen van deze ziekte (clxx.vi). Cedersciijöld (1) nam in het jaar 1834 gedurende zeer afwisselend en stormachtig weder eenen epidemischen trismus in het verloskundig gesticht te Stokholm waar; buiten het gesticht kwam de kwaal echter niet voor, ten bewijze, dat aan de weersgesteldheid de oorzaak niet kon worden toegeschreven.

De lijkopeningen hebben tot nog toe over deze ziekte weinig licht verspreid. De uitkomst van 20 door Elsüsser gedane lijkopeningen, welke Finckh onlangs opgeeft, is, dat men in 16 gevallen eene uitstorting van gedeeltelijk vloeibaar , gedeeltelijk gestold , zeer donker gekleurd bloed, en wel telkens in de met celweefsel gevulde tussehenruimtc tusschen het ligamenteuse bekleedsel van het ruggemcrgskanaal en de dura mater van het ruggemerg, heeft aangetroffen ; 11 malen vond men tevens eene meer of minder aanmerkelijke bloedophooping in de vaten der hersenen en der hersenvliezen. Aan eene infiltratie van het ruggemerg , naar de wetten der zwaartekracht in het lijk te weeg gebragt, kan daarbij niet gedacht worden, daar ElsSsser voorzigtig genoeg was , de lijken lot het oogenblik van het verrigten der lijkopening op den buik te laten liggen. In de longen, het hartezakje en het hart, was niets ziekelijks optesporen, ook de navelslagaderen, die Riecke altijd ontstoken zegt te hebben aangetroffen , vertoonden geen spoor van ontsteking ; evenmin waren ook de zenuwen en zenuwvlechten ziekelijk veranderd. C. E. Levij (2) kwam onlangs weder op de ontsteking dernavelslagaderen terug, die hij verzekert bij verschillende lijkopeningen kolfachtig verwijd , gedeeltelijk ontstoken , gedeeltelijk met eenen bruin gelen etter of eene bruine ichoreuse vloeistof opgevuld gezien te hebben. In 5 gevallen waren de slagaderwanden verweekt, in 3 gevallen met zweren bezet, ja zelfs waren in een geval de verweckte vaten gebarsten, en er

(clxxvi) Wij lezen eigenlijk alleen bij Billard, dat hij slechts twee gevallen van tetanus neonatorum waarnam, met Irismus gepaard gaande. Hieruit derhalve is de niet goed te begrijpen zeldzaamheid van den mondklem bij pasgeborenen , gedurende zijn verblijf in het Hopital des enfans trouvés te Parijs, niet optemaken ; want ofschoon meermalen trismus neonatorum meer of min ontwikkelden tetanus— gewoonlijk opislollionos — vergezelt of liever voorafgaat, zoo komt evenwel de mondklem tevens alleen en menigvuldiger voor. Waarschijnlijk dan ook om deze reden beschrijft Meissntr beide afzonderlijk en niet onder één hoofd, gelijk zulks bij andere schrijvers plaats vindt, en niet ten onregte , wanneer oorzaken , beloop, geaardheid en behandeling in het oog gehouden worden.

V crt.

(1) Svenska lakare-Sallskapets. Nya Handlingar. Bd. II. — Neue Zeitschrift fiir Geburtskunde. Bd. X. Heft 5. S. 34!S.

(2) Neue Zeitschr. fiir Geburtskunde. Bd. VII. Hft. 3. S. 3515.

29

Sluiten