Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dikwijls ontstaat oot nog gedurende het tanden krijgen een eige'ndommelijke huiduitslag, die uit op zich zelve staande en over het geheele ligchaam verspreide, ontstoken knobbeltjes bestaat, die hard óp het gevoel zijn en na weinige dagen weder verdwijnen, terwijl er altijd weder nieuwe te voorschijn komen.

De pathologische verschijnselen bij het tandenkrijgen loopen zeer uiteen , en het verschil in dezelve hangt van de ligchaamsgesteldheid van het kind af. Gewoonlijk neemt men bij het ziekelijk tandenkrijgen ontsteking van het tandvleesch, somtijds zelfs van de mondholte , 'van het gehemelte en zelfs van de amandelen (Versos, Barrier) waar; in sommige gevallen voegen zich bij het tandenmaken otorrhoe , laryngitis en bronchitis, hoest, doorloop of verstopping van den buik , koortsbeweging, slaperigheid , eigenzinnigheid , onrust, gebrek aan eetlust, vermagering, krampen, stuipen en plofselijke dood, die door apoplexie plaats heeft. Al» naziekten worden waterhoofd, atrophie , vallende ziekte en verlammingen waargenomen. In sommige gevallen ontstaan ook oogontstekingen , inzonderheid bij het doorbreken van de bovenste hoektanden , die misschien van daar de benaming van oogtanden gekregen hebben. Deze ontsteking wordt niet ligt gevaarlijk; ja zij vordert zelfs gewoonlijk geene geneeskundige behandeling en verdwijnt met het verschijnen der tanden. Ricuard vermeldt, dat ook somwijlen in gevolge van dezelfde aanleidende oorzaak de kinderen scheel zien , hetgeen echter na het doorbreken der bovenste hoektanden pleegt optehouden. — Het zoude belagchelijk zijn, aan te nemen , dat al deze ziekteverschijnselen van de spanning, 'rekking en langzame doorboring van het met vele vaten en zenuwen voorziene tandvleesch aftcleiden zijn , zoo als zulks in vioegeren tijd aangenomen werd; veeleer schijnt de oorzaak daarvan nu eens in de te zeer verhoogde , dan weder te zeer verminderde vitaliteit van enkele stelsels der kinderlijke bewerktuiging te liggen, welke de natuur zelve weder in evenwigt tracht te brengen , zoo als zij b. v. den in het tijdperk der tandvorming zoo rijkelijkenen bij kinderen ligt gevaarlijken aandrang van vochten naar het hoofd, hetzij onmiddellijk of langs den weg der afleiding, door sterke speekselafzondering , nat worden achter de ooren, melkkorst en tinea , of door eenen van zeiven ontstaanden doorloop poogt onschadelijk te maken. Eenzijdig zoude het echter zijn, en juist van geen diep inzigt. in de kinderlijke bewerktuiging getuigen , wanneer men met Eggert (1) zou willen aannemen , dat het moeijelijke tandenkrijgen enkel van een overschot van het tot vorming der tanden noodzakeïijk eiwit afteleiden is. Den grootsten invloed schijnt de prikkelbaarheid op de tandontwikkeling te hebben , vooral wanneer dezelve zeer verhoogd is. Reeds Reil (2) maakte opmerkzaam , dat in heete ziekten en kort voor den dood de tanden somwijlen in groote menigte doorbreken, hetgeen ook G. F. Tortual (3) onlangs bevestigt; Heyfelder (4) nam eene spoedige tandvorming waar na de operatie eener hazenlip , en wij hebben ontelbare malen opgemerkt, dat na het inenten van de koepokken de tanden op de koortsdagen spoedig te voorschijn kwamen , wanneer de

(1) Iiunt's Magazin fiir d. gesammle Heilkunde. Bd. XXIII. Hft. 1. 1826.

(2) Erkenntniss und Kur der Fiebcr. Bd. II. S. 60.

0Piaktisclie Beitrage 2,ir Therapie der Kinderkrankheitcn. Miinster 182Ö. 8. (4) Schmidt's Jahrb, Bd XI. S 226.

Sluiten