Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de algemeene inumieachtige indrooging gelijken tred scheen te houden. Zeker is het , dat zij noch door de gele verweeking , noch door het typheuse lijden noodzakelijk werd voortgebragt, daar wij dezelve overigens in geen geval hebben aangetroffen.

De dood had plaats onder de gewone verschijnselen van het typheuse lijden , nadat hersentorpor , vermagering en uitputting den hoogsten graad hadden bereikt. Dezelve volgde ook eerst op den 50sten dag der ziekte , en dus volstrekt niet spoediger, dan dezelve anders bij het typheuse lijden pleegt te ontstaan. De gele verweeking heeft denzelven derhalve, wanneer zij reeds vroeger bestaan heeft , niet verhaast, of zij voegde zich eerst in de laatste dagen als oorzaak van den dood bij het lijden. Niet een enkel verschijnsel echter heeft haar bestaan verraden. Even zeker als het is, dat het typheuse lijden ook zonder gele verweeking op de opgegeven wijze den dood te weeg brengt, even waarschijnlijk is het , dat de gele verweeking zonder typheus lijden 'in staat is, op dezelfde wijze den dood te veroorzaken.

Een ander , door ons waargenomen geval betrof eene vrouw van 48 jaren. Deze klaagde over groote loomheid , hevige , over het geheele hoofd uitgebreide drukkende hoofdpijn , geheel verlies van eetlust , onaangenamen smaak en neiging tot braken. Het aangezigt was bleek , de warmte der huid nergens verhoogd , de pols matig versneld ; dorst was er niet aanwezig, de tong was geel beslagen , de buik week en klein. Gedurende het beloop der ziekte werden de hoofpijnen heviger, zonder in het minst na te laten , en er ontstonden ijlhoofdigheid , braken van gal , hersentorpor, stompzinnigheid , ongevoeligheid , eene aan onnoozelheid grenzende geestzwakte en uiterste vermagering, even als in het eerste geval. Eerst met het einde der ziekte voegde zich hierbij weiachtige doorloop, welke door uitputting van de tot het uiterste vermagerde lijderes, na een lijden van 44 dagen aan het leven een einde maakte. Op het lijk vond men behalve eene gele verweeking, ter grootte eener walnoot in het mergachtige gedeelte van het regter-

Sluiten