Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ongeveer negen jaar stonden deze meegedeelde waarnemingen aan critiek bloot, totdat Petrusky (3) in 1902 het vraagstuk weer op den voorgrond bracht, naar aanleiding van het feit, dat het hem gelukte bij muizen door een injectie van een kleine hoeveelheid levende typhusbacillen (in niet ziek makende dosis) of van doode typhusbacillen, het weerstandsvermogen zoodanig te verhoogen, dat een anders doodelijke dosis nu verdragen werd.

Dit feit was voor hem de aanleiding om tot specifieke typhus-therapie over te gaan.

Wrigiit en Besredka droegen later veel bij tot andere en betere bereiding van vaccins. In 1912 gebruikten Nègre, Raynaud, Ardin en Delteil (4), (5) gesensibiliseerde vaccins, d. w. z. levende typhus-bacillen overgebracht in typhus-reconvalescenten-serum. Bij 48 lijders aan febris typhoidea kregen zij hiermee een verkorting van het ziekte-proces. De mortaliteit van de behandelden daalde van 8,38 op 2,08 pCt.

Zij namen waar, dat de agglutinatie-titer niet verhoogd werd onder invloed van de vaccino-therapie, maar dat het bactericide vermogen bij de met vaccin behandelden veel hooger was, dan bij de niet met vaccin behandelden; met een progressieve stijging tot het einde van de ziekte toe, en dat de antilichamen sneller verschenen bij de behandelde zieken, dan bij niet behandelde.

Geen wonder dat onder den invloed van Wrigiit en Besredka, de specificiteit weer op den voorgrond kwam.

Tot nu toe was steeds de intramusculaire of subcutane injectie-methode gebruikt, maar in 1914 verschenen de publicaties van Ishikawa (6), die gedoode typhusbacillen intraveneus injicieerde, welke bacillen verwerkt waren in reconvalescenten-serum, uitgewasschen, en daarna gebracht in physiologische keukenzoutoplossing met 0,3 pCt. phenol.

Sluiten