Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiervan waren, dat hij geen verschil tusschen beide groepen in mortaliteit, ziekte duur, en complicaties kon vinden.

Lüdke behandelde 15 gevallen van diphtherie bij volwassenen met albumose (2—3 injecties van 3—5 cc 10 pCt. oplossing). Bij 6 gevallen volgde op de eerste injectie een volledig verdwijnen van de membranen, en binnen 24 uur was de temperatuur gedaald tot de norm. Bij drie gevallen, waarin reeds stenose-verschijnselen bestonden, volgde op de injectie een toename van de zwelling en stenose-symptomen; hetgeen te vergelijken is met de gewone werking van niet-specifieke injecties op plaatselijke ontstekingsprocessen (haardreactie). In 5 gevallen werd op het verloop der ziekte geen zichtbare uitwerking uitgeoefend.

Paschen gebruikte melkinjecties, om diphtheriebacillen-dragers van hun kieminfectie te genezen. Van 54 gevallen werden 37 in 4—6 dagen vrij, 7 in 14 dagen. In tien gevallen werd geen werking op de kiemen verkregen, en als merkwaardigheid merkte hij bij deze laatste tien gevallen op, dat 5 er van nooit met temperatuurverhooging op een melk-injectie reageerden.

Ook hier zou dus de specificiteit meer op den achtergrond geraken.

Op een zeer interessante observatie dient hier nog gewezen te worden:

Petersen (76) deelt mede, dat van verschillende klinieken waarnemingen zouden zijn gepubliceerd, dat het sterk geconcentreerde diphtherie-antitoxine-serum niet even gunstige resultaten gaf, als de vroegere minder sterk geconcentreerde. Van de oude praeparaten werden groote hoeveelheden geïnjicieerd, van de sterk geconcentreerde veel geringere. Dat wil zeggen, dat het bij het diphtherieantitoxine-serum om twee factoren gaat, die van therapeutische waarde kunnen zijn: en wel het specifieke antitoxine-gehalte, en de niet specifieke component van het

Sluiten