Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij opname maakte patiënt een zieken indruk, was cyanotisch, pols 100," regulair en aequaal,

temperatuur rectaal 39°.

In de longen: pleuropneumonie rechts, terwijl in beide longen verschijnselen van een diffuse bronchitis werden gevonden.

Cor, abdomen en reflexen zonder afwijkingen.

In de urine alleen duidelijk vermeerderd urobiline.

Sputum 100-150 cc per 24 uur, zag groengeel, was etterig, bevatte bij herhaald onderzoek geen tuberkelbacillen. Bloederig is het niet geweest.

Leucocyten 19.400, waarvan:

staafk staafk. segmentk. lymphoc. eosinoph. monoc. li % 17 % 65 % 13 % i % 3 %

Verloop: temperatuur had een remitteerend tot intermitteerend verloop. Na herhaalde puncties rechts-achter-onder, werd eenmaal 2 cc. gelig-sereus vocht opgezogen, dat cultureel steriel was en waarin geen tuberkelbacillen werden gevonden. Na 5 weken werd een normaal temperatuur verloop verkregen, een enkele maal werd nog eens 38° bereikt, en na een intratracheale injectie van lipiodol zelfs 39.5°.

Na 5 maanden verblijf volgde ontslag in redelijken toestand, maar patiënt gaf nog steeds 250 cc sputum op.

De diagnose werd gesteld op pleuropneumonie bij chronische bronchitis. De mondvolle expectoratie, het later drielagig worden van het sputum, gaven ons den indruk dat ectasie vorming hier opgetreden zou zijn. Op een elders genomen lipiodol foto is dit ook aangetoond.

Wat de therapie betreft: patiënt kreeg in deze 5 maanden yatreen 4 % subcutaan geïnjicieerd en wel:

i—1—li—2—3 cc, waarna twee weken werd gewacht met injicieeren. Daarna: i—1—li—2—3 cc, weer twee weken pauze, waarop nog eenmaal werd gegeven achter-eenvolgens 2—3—4 cc.

Zooals reeds vermeld, werd patiënt op eigen verzoek ontslagen, terwijl nog 250 cc sputum opgegeven werd.

In aansluiting aan de tweede serie inspuitingen, werd stijging van de hoeveelheid sputum waargenomen, zie bijgaand schema. De hoeveelheid is sindsdien hooger ge-

Sluiten