Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ad. B.

Patiënte R4, vrouw, 24 jaar.

Duur van de ziekte: 6 jaar, waarvan sinds 3 jaar bedrust.

Reden voor opname in het ziekenhuis: haemoptoe.

Aard van het proces: beiderzijds noduleus-cirrhotisch, met in beide bovenkwabben holte-vorming.

Bij binnenkomst temperatuur subfebriel tot 37.8° (rectaal), pols 100, regulair en aequaal.;

sputum pos. voor tuberkelbacillen. Goede algemeene voedingstoestand.

Urine geen afwijkingen.

Geen complicaties van den kant van larynx of abdomen.

Verloop: in anderhalf jaar tijd 10 maal een haemoptoe. Anderhalve maand na de voorlaatste haemoptoe wordt begonnen met injecties van lipatreen. De hoeveelheid sputum bedraagt dan 110 cc/24 uur, bacillen nog steeds positief.

Hgl. (Sahli) 50, Erythrocyten 4.290.000, index: 0.8, leucocyten 10.800, waarvan:

myeloc. staafk. segmentk. lymphoc. eosinoph. monoc.

1 % 2 % 16% 42 % 28* % 3 % 7£ %

Enkele leucocyten vertoonen toxische granuleering.

Temperatuur van 38° tot 38.5°.

Urine geen albumen, geen reductie diazo neg.

In 5 weken tijds krijgt patiënte subcutaan toegevoerd:

0,1—0,2—0,2—0,2—0,4—0,7—1—1 cc lipatreen.

Tijdens deze behandeling voelt patiënte zich zeer opgewekt en heeft een redelijken eetlust. Den vierden dag na de laatste injectie voelt zij zich niet lekker en is angstig. Den volgenden dag wordt plotseling 300 cc helder rood schuimend bloed met hoesten opgegeven.

De temperatuur is tijdens de behandeling over het algemeen gedaald, zoodat nu als hoogste 38° genoteerd wordt.

De hoeveelheid sputum bleef dezelfde, er kwam geen vermeer-

Sluiten