Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewerkingen , van welker vergelijking liier sprake is. Hierbij oefenen echter in Duitschland de meeningen van Rust omtrent de gewrichtsziekten, van hoevele zijden zij in den laatsten tijd ook zijn bestreden, nog steeds een' tegrooten en nadeeligen invloed uit; want met het aannemen eener arthrocace, doet zich eo ipso eene bedenking tegen de resectie in een bepaald geval voor, dewijl men daarbij steeds eene te groote uitbreiding van de kwaal over de beenachtige gewrichtsdeelen, ja ook het achterlaten van een beenstuk te vreezen heeft, dat nog slechts de kiem der ziekte bevat en daarom nog niet merkbaar veranderd is. Naar mijne ervaring , die ten opzigte van gewrichtsziekten niet gering is , is eene arthrocace in den zin van Rust , d. i. eene van het been zelf en wel van het inwendige eens gewrichtsuiteinde uitgaande verwoesting van hetzelve, eene zeldzame ziekte, en wanneer men ze desniettemin veelvuldig aanneemt, zoo geschiedt zulks op grond van bedriegelijke toevallen. Bepaaldelijk laat men zich zoo dikwerf door eene schijnbare uitzetting der beenachtige gewrichtsuiteinden misleiden ; niet alleen neemt men zulk eene uitzetting nog steeds bij het dij- en opperarmbeenshoofd aan, wanneer het lid zich langer vertoont, maar men gelooft haar ook aan het schouder-, elleboog- en kniegewricht te zien en te voelen. De uitzetting of, zoo als Rust zegt, de opzwelling (Jvfblahung) van een beenachtig gewrichtsuiteinde behoort echter tot de grootste zeldzaamheden , en , om zich daarvan te overtuigen, ga men bij ontleedkundige onderzoekingen en in anatomische verzamelingen de zaak slechts naauwkeurig na. Men vindt wel is waar vergrootingen van den omvang der gewrichtsuiteinden , maar deze zijn niets minder dan opzwellingen of uitzettingen , die door een in het inwendige des beens bestaand

»

Sluiten